Spring naar inhoud


Streektaal in gezelschap

Beste Beatrijs,

Wie bepaalt de voertaal van een gezelschap? In Maastricht spreken sommige ‘echte Maastrichtenaren’ (15% van de bevolking) in gemengde gezelschappen zeer strijdbaar hun eigen taal, terwijl anderen het beter verstaanbare ‘Maastrichts Nederlands’spreken. Ikzelf woon nu zes jaar in Maastricht en ik versta de taal prima, maar spreek haar niet. Dat vind ik eigenlijk wel zo beleefd: ieder mag zijn eigen taal spreken en de ander doet moeite dat te begrijpen. Wat vindt u?

Buitenstaander

Beste Buitenstaander,

In formele contacten moet de landelijke voertaal voldoende zijn. Behalve in Friesland hebben streektalen in Nederland nergens de status van voertaal. Vanachter de loketten hoort men zich dus niet te bedienen van het Neder-Saksisch, Oud-Zeeuws of Opper-Limburgs. In informele situaties is het een kwestie van macht. Hoe groter het gezelschap, hoe minder de aanwezigen rekening houden met iemand die de taal niet spreekt. Een centraal gesprek begint vaak ter wille van de buitenstaander in een standaardtaal, maar zodra er onderonsjes ontstaan, schakelt men automatisch over op de eigen taal. Mensen willen een gast wel tegemoet komen, maar naarmate de gezelligheid vordert, verwatert dat. Van nieuwkomers wordt verwacht dat zij zich in de voertaal verdiepen. Geen enkele taal is te onbeduidend om te leren.

Het valt Nederlanders die stug doorgaan met Engels spreken tegen een buitenlander die moeite doet zich in het Nederlands verstaanbaar te maken dan ook kwalijk te nemen als zij die pogingen niet honoreren. Dit duidt op minderwaardigheidsgevoelens over de eigen taal. Hoe kleiner het taaltje, hoe minder de sprekers openstaan voor mensen-die-het-willen-leren. Het is alsof ze zich zo bijzonder vinden dat geen enkele buitenstaander moet denken dat hij er ooit bij zal kunnen horen. Het Maastrichts is een beruchte ‘no-go area’. Leergierige nieuwkomers die Maastrichtse taallessen nemen, krijgen steevast antwoord in het Nederlands, wannneer ze hun kennis willen uitproberen op straat of in winkels. Een vorm van hoffelijkheid die het effect heeft van een terechtwijzing en waarmee de gelederen der echte Maastrichtenaren zichzelf intact houden. Een Amerikaan zal een stamelende buitenlander complimenteren en aanmoedigen voor de moeite die hij doet om Amerikaans te spreken. Een Maastrichtenaar neemt zo iemand niet serieus.

Wat moet een nieuwkomer doen? Ik denk dat u zelf de beste oplossing aangeeft. Hij moet zich de taal eigen maken tot op zo’n niveau dat hij kan verstaan wat er gezegd wordt. Dat is in het belang van de nieuwkomer, want het is vervelend om voortdurend van elk gesprek te worden buitengesloten en het is ook vervelend om afhankelijk te zijn van de bereidwilligheid van de anderen om de voertaal te spreken. Hij hoeft de streektaal niet daarbij ook te leren spreken, want dat wordt toch niet gewaardeerd. Hij kan gewoon in de voertaal terugspreken, want dat wordt natuurlijk uitstekend door iedereen verstaan.

Hoe groter de mobiliteit in Nederland wordt, met verhuizingen door heel het land, hoe meer dit probleem zal verdwijnen Uiteindelijk zullen streektalen gereduceerd worden tot een soort accent of tongval.

Artikelen in Taalgebruik.

Gelabeld met .


Een reactie

Blijf op de hoogte, abonneer je op de RSS feed voor reacties op dit artikel.

  1. Mara schrijft

    Ik wil hier toch graag op reageren. Het Limburgs is reeds op 14 februari 1997 door de Nederlandse regering officieel als ‘Vreemde taal’ erkend. De Limburgse taal is een zelfstandige en volwaardige, aan het Duits en Nederlands verwante taal. Het heeft een andere oorsprong dan het Nederlands en bestrijkt een vrij groot gebied. In Limburg spreken ongeveer een miljoen mensen Limburgs en het taalgebied strekt zich over drie landen uit: België, Duitsland (gemeente Zelfkant) en Nederland.
    Limburgs is een onder het Europees Handvest voor streektalen of talen van minderheden erkende taal. Het doel van dit Handvest is het beschermen en het versterken van de niet-dominerende talen in Europa. Wat abusievelijk met “Limburgse dialecten” wordt aangeduid, zijn in werkelijkheid varianten en tongvallen van de Limburgse taal (elke taal kent deze verschijnselen). Dialecten richten zich wat betreft de woordenschat, de zinsbouw en de spelling naar de standaardtaal. Geen van deze drie criteria is op de Limburgse taal van toepassing! Verschil met Friesland is dat voor het Limburgs nog geen AGL (Algemeen geschreven Limburgs) is ontwikkeld. U zult echter in Limburg in alle openbare gelegenheden, van horeca tot provinciehuis, mensen in eerste instantie Limburgs met elkaar horen praten. Nederlands is in Limburg de ‘vreemde taal’.
    U wordt hier dus ook ‘vanachter het loket’ bedient in het Limburgs. Natuurlijk zal men onverwijld overschakelen op Nederlands indien de klant/cliënt/gast geen Limburgs spreekt. En dat een niet Limburger door Limburgers zou worden ontmoedigd om Limburgs te spreken is natuurlijk flauwekul. Alleen heeft waarschijnlijk iedere Limburger ervaring met een niet-Limburger die probeert Limburgs te spreken. Dat pakt nooit goed uit omdat het Limburgs zó rijk is aan klanken en stembuigingen t.o.v. het Nederlands, dat het voor een niet Limburger eenvoudiger is om Russisch te leren spreken dan Limburgs. Als u in het Limburgs wordt aangesproken en u verstaat het wel, voldoet het om in gewoon Nederlands te anwoorden. De Limburgers zullen zich te allen tijde gestreeld voelen dat u hun taal begrijpt en u niet kwalijk nemen dat u zelf de veelal zangerige klanken niet geproduceerd krijgt.



Sommige HTML is toegestaan