Beste Beatrijs,
Als er iemand achter mij staat in de rij voor de kassa met bijna niets in zijn mandje, laat ik hem of haar vaak voorgaan. Laatst stond ik te wachten met mijn karretje en achter mij sloten nog twee mensen aan. Luid en duidelijk verkondigde de één dat zij wel van ‘die mevrouw’ (dat was ik dus) vóór mocht. Zij had tenslotte maar één boodschap en ze was zó slecht ter been. De ander beaamde dat volledig en zei dat hij altijd mensen met weinig boodschappen voor liet gaan. Ik keek om en zag een oudere mevrouw met een appeltaart en een meneer met een mandje met weinig. Door hun uitlatingen was de zin om hen voor te laten gaan mij totaal vergaan, al heb ik het wel gedaan. Heb ik het juist, dat je het aan de beleefdheid van mensen moet overlaten of zij hun plaats in de rij aanbieden, maar dat je er zelf niet om mag vragen?
Weggedrukt door achteropkomend verkeer
Beste Weggedrukt,
Het is heel altruïstisch van u dat u regelmatig mensen voor laat gaan in de rij voor de kassa. Waarom zou uw tijd minder kostbaar zijn dan die van andere mensen? Het is inderdaad onuitstaanbaar van die personen om over u te praten, alsof u er niet bij staat. Als iemand voor wil dringen, moet hij/zij tenminste de beleefdheid opbrengen om de persoon die hij wil benadelen nederig om toestemming te vragen. Omdat zij zo indirect te werk gingen, had u koeltjes kunnen zeggen: “Nee, het spijt me, ik ben zeer gehaast, ik heb thuis een doodzieke kanarie die op me wacht.” Maar dat doet u natuurlijk niet. Dat doe ik zelf ook niet, als iemand me vraagt of hij voor me mag. Mokkend zeg ik dan: “Gaat uw gang,” terwijl ik zelf nooit durf te vragen of ik voor mag.
Wat ik niet begrijp is dat je, in tegenstelling tot veel andere landen, nergens in Nederlandse supermarkten snelkassa’s ziet, waar mensen zich kunnen vervoegen die minder dan vijf artikelen hebben af te rekenen. Dat zou een hoop ergernis schelen.










