Spring naar inhoud


Begraafplaatsen ontoegankelijk voor invaliden

Beste Beatrijs,

Het valt mij op dat er op begraafplaatsen geen rekening wordt gehouden met mensen die niet goed ter been zijn. Bijna overal ligt grind. Moet je je voorstellen dat je daar met je rollator of een rolstoel door moet worstelen. In mijn directe omgeving heb ik al een oudere dame die elke maand het graf van haar man bezocht, horen zeggen: ‘Ik ga maar niet meer; ik kan wel makkelijk op de begraafplaats komen met mijn taxigeld, maar dan komt het grootste probleem: hoe kom ik bij het graf?’ Vaak vragen deze mensen dan geen hulp, is mij gebleken, want zij hebben al zoveel hulp nodig. Hebt u een idee hoe dit aangepakt moet worden?

Ruim baan voor rollend materieel

Beste Ruim baan,

U hebt helemaal gelijk. De rustieke paden en grindweggetjes op begraafplaatsen zijn nauwelijks begaanbaar voor mensen met rollators of rolstoelen, terwijl deze groep oververtegenwoordigd is onder de grafbezoekers. Asfalt is minder mooi maar wel handiger. Dit lijkt mij iets voor een belangengroep van ouderen/gehandicapten. Veel gemeenten hebben een ‘Meldpunt Toegankelijkheid Gebouwen en Instellingen’, waar u uw specifieke klacht kunt deponeren. Misschien zou de Chronisch Zieken- en Gehandicapten Raad of de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland zich eens over een landelijke aanpak van deze kwestie kunnen buigen. Het lijkt me er belangrijk genoeg voor.

Artikelen in Dood en begrafenis, Het publieke domein, Ziekte.


Oudjes

Na de hittegolf van augustus, waardoor in Frankrijk duizenden ouderen extra zijn overleden, is men in Parijs met 75 lijken blijven zitten, die door niemand werden gemist. Geen enkel familielid of bekende meldde zich aan om begrafenis- of crematiemaatregelen te nemen. Ten slotte besloot de gemeente de doden in een massagraf ter aarde te bestellen. Hier werd schande van gesproken. Een door Netwerk geïnterviewde Parijse begrafenisonderneemster meende dat de Staat zich op een waardiger wijze van deze taak had moeten kwijten – een vertegenwoordiger van de gemeente vond het beneden peil dat familieleden zich nergens iets van aantrokken. Het komt allemaal door het individualisme!

Zo’n massagraf is inderdaad weinig respectvol. Het is merkwaardig dat voor deze oplossing is gekozen, omdat 75 doden zonder verwanten of vrienden niet eens zo verschrikkelijk veel is in een agglomeratie van 10 miljoen mensen, en omdat de reguliere dak- en familielozen bij overlijden door het jaar heen wèl een eigen graf krijgen van de afdeling armenzorg van gemeente. Voor die 75 had toch ook wel een afzonderlijk plaatsje gevonden kunnen worden. Het massagraf lijkt nu een demonstratief gebaar van de staat naar de burgers: dit komt ervan, als jullie niet voor opa zorgen.

Tegelijk vroeg ik me als kijker af hoe dat dan zat met die familie. Had er nu niet van één aan de hitte bezweken persoon nagegaan kunnen worden wat zijn of haar persoonlijke omstandigheden waren, wat de buurvrouw zei of wat het enige familielid (vast een 59-jarige neef in Montpellier) voor commentaar had? Of die zich niet verantwoordelijk voelde?

Op de een of andere manier werd in de nasleep van de hittegolf, ook in verschillende kranten, de zaak steeds zo voorgesteld alsof Parijzenaars met vakantie waren gegaan zonder zich ook maar een greintje te bekommeren om het lot van opa of oma die in de hete stad een uitdrogingsdood stierf. Deze keer ging het niet om Fido die vastgebonden aan een boom in het bos werd achtergelaten, maar om de arme oudjes, die zogenaamd slachtoffer werden van de hitte, maar eigenlijk van hun liefdeloze familie.

In dit verhaal komen twee fascinaties samen die typerend zijn voor deze tijd. De ene is een preoccupatie met cijfers. Honderd doden zijn erger dan tien doden – en als er zoveel duizend mensen door het warme weer omkomen, dan is er iets heel ergs aan de hand, dat door deskundigen voorzien en voorkomen had moeten worden. Meer geld voor airconditioners, gedwongen watertoediening, gratis ijslollieverstrekking in bejaardentehuizen, zijn voor de hand liggende oplossingen. Geïmponeerd worden door cijfers is één ding, ze op waarde schatten is iets anders. Er zijn veel oudjes gesneuveld, en elke dode is er natuurlijk een te veel, maar met twintig graden onder nul vallen ze ook met bosjes, en met een orkaan of een overstroming helemaal. Extreme weersomstandigheden zijn vooral gevaarlijk voor degenen die anders een paar maanden later waren overleden, en hoogbejaarden horen nu eenmaal bij de fysiek zwakkeren. Bavarois-desserts zijn vermijdbaar, slecht weer niet of nauwelijks.

De andere fascinatie is het schuldgevoel over zieligheid van anderen. Als mensen, waar ook ter wereld, het slechter hebben dan de blanke middenklasse in het cultureel welvarende Westen, dan is dat de schuld van de lui die het beter hebben. Je ziet het met asielzoekers, extremistische moslims en armoedige koffieboeren, en nu ook met eenzame bejaarden: hun lot is de schuld van de anderen, van degenen die wèl contacten hebben, midden in het drukke leven staan, geld hebben, plezier maken, maar te egoïstisch zijn om zich iets aan de zwakken gelegen te laten liggen. Betrokken babyboomers vinden het heerlijk om as te strooien op de hoofden van hun generatiegenoten en van iedereen die daarna komt, en te wijzen op de kwalijke gevolgen van de individualisering, waardoor familiebanden atrofiëren en oudjes in eenzaamheid uitdrogen. Het is prettig zwelgen in eigen slechtheid.

Maar als je vraagt hoe het met hun eigen stokoude vader/moeder gaat, dan zeggen ze dat ze die trouw bezoeken in het verzorgingstehuis en regelmatig opbellen. Ook als die oudjes dement zijn! Iedereen vermoedt overal schrikbeelden die ze zelf niet meemaken. Elders gaat het er veel erger aan toe dan in de eigen familie. In de krochten en forten van de westerse cultuur laat men elkaar in de steek alsof het om oud papier gaat.

Het is een verleidelijke mythe en ik zie de aantrekkingskracht van de zelf-geseling, maar ik geloof er niet in. Volwassen geworden kinderen laten hun ouders niet barsten. Zelfs al is de verhouding over diverse decennia heen moeilijk geweest, dan nog komt een totaalbreuk maar zelden voor. Net zoals adolescenten het wel heel bont moeten maken, willen ouders werkelijk hun handen van hen af trekken, zo moeten er zeer ingrijpende conflicten hebben plaatsgevonden (compleet met vernedering, fysieke agressie of emotionele vrieskou), willen volwassen kinderen definitief een streep zetten onder de verhouding met hun ouders. In de meeste gevallen hebben dergelijke drama’s en trauma’s zich helemaal niet voorgedaan en zijn kinderen min of meer naar tevredenheid opgegroeid bij redelijk liefhebbende ouders, wier fouten zij hun verder niet meer nadragen, en die zij dus ook zullen bijstaan tot het graf.

Dat neemt niet weg dat er wel degelijk veel eenzame en geïsoleerde ouderen zijn. Een paar maanden geleden zag ik er nog een paar geïnterviewd worden in een programma over leven in het verpleeghuis. Het was vreselijk om aan te zien. Een veertiger wie nog niets mankeert kan niet anders dan gruwen bij het vooruitzicht om dertig of veertig jaar later in zulke hulpbehoevende omstandigheden te verkeren. En dan ook nog geen bezoek krijgen! Toch zag ik een glimpje van hoe het anders had gekund. De interviewer vroeg op een gegeven moment of de bewoner nooit eens met medebewoners praatte. Het antwoord was ‘Nee, wat moet ik met die mensen’. Terwijl daar toch niet iedereen dement of onaanspreekbaar was. Maar het was duidelijk dat deze oude man werkelijk niet in het minst geïnteresseerd was in andere mensen. Het enige wat hij wilde was over zichzelf praten en klagen.

Misschien is het wel iemand z’n goed recht op z’n 85ste om over zichzelf te praten en te klagen, maar het is ook weer niet zo vreemd dat de bezoekers dan niet in rijen staan opgesteld om belet bij zo iemand aan te vragen. Er zijn ook tachtigers wier lichaam in een wrak is veranderd, die nog wel iets van interesse voor een ander kunnen opbrengen, en die dus ook meer aandacht van anderen krijgen.

Het is natuurlijk maar de vraag of dit alles een keuze is. De ene 80-plusser staat open voor anderen en heeft daardoor nog contacten en bezoek; de andere is chagrijnig, verzuurd, alleen in zichzelf geïnteresseerd en in die zin even egoïstisch als zijn familie die hem niet bezoekt. Tegen iemand die zich om wat voor reden dan ook uit het sociale leven terugtrekt, kun je niet zeggen dat hij of zij zich wat socialer moet opstellen. Het hoort niet (meer) bij de bereikbare keuzes. Dat mensen soms in eenzaamheid sterven is afschuwelijk, maar niet per se de schuld van de familie.

Beatrijs Ritsema

Artikelen in NRC-column.


Niet welkom bij schoonzus

Beste Beatrijs,

Een paar jaar geleden ging het tussen mijn broer en zijn vriendin heel slecht. Op een zekere avond stond mijn broer bij mij voor de deur. Of hij een tijdje bij mij mocht bivakkeren. Natuurlijk heb ik mijn broer opgevangen. Een en ander ging wel erg lang duren. We hebben toen in overleg besloten dat hij een ander onderkomen zou zien te vinden. Dat is gelukt. Alles bij elkaar is hij geloof ik zo’n drieënhalf jaar weggeweest thuis.

Sinds enkele maanden is mijn broer weer terug bij zijn vriendin. Gelukkig voor hen. Maar wat blijkt: ik ben niet welkom! Zijn vriendin vindt dat ik partij voor mijn broer heb getrokken! Ik ben nog niet in hun nieuwe huis geweest, krijg zelfs geen telefoonnummer. Als ik mijn broer wil spreken moet ik naar zijn werk bellen, of naar zijn mobiel. Ik heb haar niets gedaan, alleen mijn broer opgevangen in een moeilijke tijd. Had ik hem dan voor de deur moeten laten staan? Ik voel me schandalig behandeld.

Niet welkom bij schoonzus

Beste Niet welkom,

Uw schoonzuster loopt niet over van hartelijkheid jegens u. Maar ja, jullie hebben elkaar natuurlijk ook in geen jaren gesproken, als uw broer zo lang bij haar weg is geweest. Ik kan me er wel iets bij voorstellen dat ze geen zin heeft om ouwe-jongens-krentenbrood met zijn familie te spelen, alsof er niets is gebeurd. U geeft in uw brief ook niet echt de indruk dat u dol bent op haar, dus waarom wilt u eigenlijk zo graag contact met haar? U kunt uw broer bellen op z’n werk of z’n mobiel. Dan hebt u toch contact met hem? U kunt hem uitnodigen bij u thuis of ergens iets afspreken. Het lijkt er nu op alsof u vooral nieuwgierig bent naar hun nieuwe huis, maar dat komt wel eens, als hun verhouding goed blijft tenminste, want dat lijkt me ook nog de vraag. Gunt u het een beetje tijd. En windt u zich niet over haar op.

Artikelen in Broers en zussen, Schoonfamilie.

Gelabeld met .


Tandarts aanspreken met ‘dokter’?

Beste Beatrijs,

Is het ouderwets om de tandarts met ‘dokter’ aan te spreken? Ik zat laatst in de wachtkamer en toen viel me op dat niemand dat zei.

Maar wat dan wél?

Beste Maar wat dan,

De gewoonte om de tandarts met ‘dokter’ aan te spreken is inderdaad behoorlijk gesleten. Hetzelfde geldt trouwens voor de huisarts. Een zoveelste voorbeeld van het toenemende egalitarisme in de maatschappij en de daaruit voortvloeiende informalisering van de omgangsvormen. Met de huisarts en de tandarts bouwen mensen in de loop der jaren een relatie op. In ieder geval onder gestudeerden is dit een relatie waarbij men elkaar als gauw als gelijken ziet. De een is meester in de rechten of drs. in de Engelse literatuur, de ander heeft toevallig een medische opleiding genoten. Patiënten vinden het dan overdreven of serviel om de tand- of huisarts met ‘dokter’ aan te spreken. De eerbied, die een kerkelijke gezagsdrager nog wel wordt toegekend met aanspreekvormen als ‘eerwaarde’ of ‘dominee’, voelen ze helemaal niet tegenover de tandarts. Het is ook heel makkelijk om het te vermijden. In plaats van ‘Ik heb zo’n last van mijn kies, dokter’ zeggen ze: ‘Ik heb zo’n last van mijn kies.’

Los hiervan is de gewoonte om elkaar bij de functie te noemen (‘Goedemorgen, bakker’, ‘Alles goed, loodgieter?’) hoe dan ook praktisch verdwenen uit het dagelijks leven. De babyboom-generatie en iedereen na hen spreekt niet meer netjes met twee woorden en ze voeden hun kinderen ook niet meer zo op. Dat vinden ze militaristisch klinken. Tegen onbekenden zeggen ze ‘meneer’ of ‘mevrouw’, en zodra ze elkaar kennen, gaan ze op voornamen over. Met tandartsen en huisartsen verkeert men meestal niet op voornaambasis, maar er wordt wel ruim getutoyeerd. Mensen zeggen: ‘hallo’ en ‘tot ziens’ en ‘bedankt’ tegen eerste-lijn-artsen, zoals ze dat gewend zijn met vrienden of collega’s. Ouderen zeggen nog wel ‘dokter’ tegen de dokter. En op het spreekuur bij de specialist ligt het percentage ‘dokter’-zeggers een flink stuk hoger, want dan is men geïmponeerd.

Artikelen in Aanspreken en begroeten, Zakelijke relaties.


Lelijk souvenir

Beste Beatrijs,

Onze lieve, trouwe oppas heeft na haar vakantie naar haar moederland (China) een door haar met zorg uitgezocht maar werkelijk foeilelijk souvenir voor ons meegenomen. Ze rekent erop op dat we het een ereplaatsje geven in onze woonkamer. Wat moeten we doen? Het liefst zou ik het ding wegmikken. Ik voel er ook niet voor om het alleen neer te zetten als we weten dat ze komt, want dat gaat natuurlijk een keer mis. Het kreng ‘per ongeluk’ kapot laten vallen? Of ons bij de zaak neerleggen tot het einde van haar dienstverband?

Opgescheept met sierobject

Beste Opgescheept,

Uw oppas heeft op materiële wijze uitdrukking gegeven aan haar waardering van u als haar werkgever. Helaas loopt haar gevoel voor binnenhuis-esthetiek niet parallel aan het uwe. Dat gevaar kleeft elk siervoorwerp aan, wat de reden is dat cadeautjes-winkels zo ongeveer de laatste plaats zijn om een geschikt cadeautje voor iemand te vinden.

In geval van cadeautjes van vrienden of familie is er niets op tegen de rotzooi achter in een kast te stoppen. Na een gepaste periode van verstoffen en ruimte opsouperen kunt u het ding met een gerust geweten aan de straat zetten – morgensterren zullen zich er in een ommezien over ontfermen. Er circuleert zoveel materiële onzin, dat de cadeautjesgevers zich niet beledigd voelen wanneer hun gift niet prominent in de huiskamer is opgesteld. Integendeel, men is vaak drie weken later compleet vergeten wat men voor cadeautje heeft gekocht.

Met uw oppas ligt dat anders. Zij heeft dit souvenir uit de goedheid van haar hart uit haar verre moederland voor u meegebracht, terwijl ze toch al weinig geld heeft. Het siert u wanneer u haar geste honoreert en uw goede smaak opzij schuift. Etaleer het ding in uw huiskamer! Zo groot zal het toch niet zijn dat het de hele sfeer domineert? U hebt een of meer kleine kinderen; het kan niet anders of er slingeren in uw huiskamer nog meer esthetisch dubieuze spulletjes rond (ik denk aan op drift geraakte plastic boerderijdieren, kleipoppetjes in giftige kleuren, knullige mozaïek-raampjes). Daar kan dan nog wel een detonerend item bij. Het staat u overigens vrij om het souvenir een ‘gevaarlijke’ plaats te geven. In een huis met kleine kinderen hebben breekbare dingen de neiging ook daadwerkelijk te breken. Als na een aantal maanden uw kind nog niet heeft toegeslagen, kunt u zelf het ‘ongeluk dat in een klein hoekje zit’ onopvallend een handje helpen. Maar misschien bent u er dan intussen al aan gehecht geraakt. Zo gaat dat vaak met lelijkheid.

Artikelen in Cadeaus, Zakelijke relaties.


Niet te veel gasten op bruiloft

Beste Beatrijs,

We gaan binnenkort trouwen en voor ons allebei is het de tweede keer. Onze vriendenkring (groot) reageert hier heel enthousiast op. Het is haast onmogelijk om iedereen te vragen op ons feestje. Hoe lossen wij dit op zonder boze gezichten?

Liever niet te veel gasten

Beste Liever niet,

Er zijn twee mogelijkheden: u vraagt een handjevol intimi voor een etentje. Dan ìs er helemaal geen feest en hoeft ook niemand zich gepasseerd te voelen. De andere mogelijkheid is om wèl een feestje te geven en dan moet u een royaal uitnodigingsbeleid hanteren. Met een volle bak vrienden feestvieren is gezelliger dan met een zorgvuldig geselecteerd gezelschap. De enige manier om de wrok der niet-uitgenodigden te vermijden is om het wederkerigheidskriterium toe te passen. Stel uzelf de vraag of u beledigd zou zijn, wanneer een potentiële gast u niet voor zijn of haar huwelijk zou uitnodigen. Als het antwoord op die vraag ‘nee’ is, kunt u die persoon met een gerust hart van de gastenlijst afvoeren. Laat in geval van twijfel de balans doorslaan naar wel uitnodigen.

Als geldgebrek uw motief is, bezuinig dan op het soort feestje en niet op de gasten. Voor een tweede huwelijk dienen de festiviteiten sowieso soberder te zijn, dus dat komt goed uit. U kunt het goedkoop houden door de festiviteiten tot een uur of drie beperkt te houden, bijvoorbeeld een borrel van 17.00 tot 19.30 of een feestje van 21.00 tot 24.00 uur. Dan hoeft u alleen lichte snacks te serveren. Als u het feestje in een café of een feestzaal houdt, weten mensen dat na dit tijdstip de drank voor eigen rekening komt. Schenk alleen lichte alcoholica en geen dure cognac, whisky, en dergelijke. Blokjes kaas en leverworst in plaats van sushi en ingewikkelde canapés.

Een paardenmiddel is om de uitnodigingen vrij kort van tevoren rond te sturen. Als u mensen niet eerder dan twee weken van tevoren aanschrijft, komt gegarandeerd een derde deel van de genodigden niet opdagen wegens eerder aangegane verplichtingen elders.

Artikelen in Bruiloft, Vrienden en kennissen.

Gelabeld met .


Geen erfenis wegens overlijden man

Beste Beatrijs,

Mijn schoonmoeder overleed vijf maanden na mijn echtgenoot. Mijn schoonvader was vier jaar geleden al overleden. De erfenis van mijn schoonmoeder werd verdeeld over de vier broers van mijn man. Mijn schoonmoeder had een uitsluitingsclausule in haar testament opgenomen ten aanzien van de aangetrouwde kinderen. Hoewel ik dus nergens recht op had, had ik toch verwacht dat mijn schoonfamilie mij een deel zou schenken. Ze zeiden ook dat ze het vervelend voor mij vonden dat ik net buiten de boot viel. Ik ben de enige erfgenaam van mijn man (we hebben geen kinderen). Was hij later overleden dan zijn moeder, dan had ik zijn deel geërfd.

Ik begrijp het niet. Zelf zou ik anders gehandeld hebben. Ik voel me lid van de familie, heb met allemaal een goede band en hoor er echt bij, behalve toen het op het verdelen van het geld aankwam. Heb ik gelijk door me hier gekwetst onder te voelen?

Buiten de boot

Beste Buiten de boot,

Het is natuurlijk zuur voor u, dat uw echtgenoot eerder overleed dan zijn moeder. U had dat geld vast wel goed kunnen gebruiken. Toch is het mislopen van de erfenis niet meer dan een geval van pech. Het had inderdaad anders kunnen lopen, zoals iemand met één nummertje verkeerd ook net geen prijs in de loterij won. Als aangetrouwde familie hebt u geen recht op de erfenis. Gevoelens van sympathie tussen u en uw schoonfamilie doen niet terzake. Aardige mensen hebben niet meer rechten dan onaardige. Uw schoonmoeder had u in haar testament kunnen bedenken met een apart legaat, maar dat heeft zij niet gedaan. Haar zonen hebben de laatste wil van hun moeder uitgevoerd en niet besloten om hem te amenderen of te corrigeren. Als ze dat wel hadden gedaan, zouden ze te kennen hebben gegeven dat hun moeder een fout heeft gemaakt, maar uw schoonmoeder heeft geen fout gemaakt. Zij wilde dat haar geld bij haar kinderen terecht kwam, en niet bij haar schoondochter. Uw zwagers respecteren dat en zij hebben niet de morele plicht tot liefdadigheid.

Erfenissen lopen via bloedbanden. Zo willen mensen het en zo is het in de wet vastgelegd. Wanneer u betekenis en functie van het erfrecht aanvaardt, komt u makkelijker heen over uw teleurstelling.

Artikelen in Dood en begrafenis, Schoonfamilie.

Gelabeld met , .


Afwassen

Beste Beatrijs,

Mijn partner en ik hebben een oppervlakkige maar prettige relatie met een van onze buren, een jonge werkende vrouw. Zij zorgt voor onze planten in de vakantie en wij voor haar poezen, als ze zelf weg moet. Toen ik haar laatst tegenkwam, nodigde ik haar uit om de dag daarna met ons en onze kleine kinderen mee te eten, om wat beter kennis te maken. Ze vond het leuk, vroeg of haar vriend ook mocht komen, wat ik prima vond.

Het was een gezellig, informeel etentje op een doordeweekse dag. Na het eten begon mijn man direct met de afwas. Omdat dat misschien wat cru over zou komen, zei ik: “Dat is onze gewoonte, anders loopt het zo snel op in een huishouden met kinderen,” en pakte een theedoek. Ik verwachtte dat ze daarop zouden aanbieden mee te helpen, maar ze bleven gewoon zitten en gingen door met de wijn. Mijn vraag is nu: is het onbeleefd om bij zo’n doordeweeks etentje meteen na de maaltijd af te wassen? En: is het onbeleefd om als gast te blijven zitten?

Graag de boel aan kant

Beste Graag de boel,

Wanneer een gastheer/vrouw aanstalten maakt om op te ruimen, bieden sommige gasten weleens hun diensten aan: “Zal ik even helpen met de afwas?” Dit is een conventioneel aanbod dat even conventioneel dient te worden afgewimpeld: “Ben je gek, ik ruim alleen even af, zodat we meer ruimte aan tafel hebben.” Hoe informeel het etentje ook is, men zet geen gasten aan de afwas, en oppervlakkige kennissen al helemaal niet. Gevrijwaard zijn van huishoudelijk werk is nu net een van de aardige kanten van het bij een ander gaan eten. Van goede vrienden of familieleden kan de aangeboden hulp weleens worden aanvaard – en dan liever bij de voorbereiding van de maaltijd dan bij de afwas -, omdat het een manier is om even een gesprek à deux te kunnen voeren in de keuken. Het tevoorschijn halen van afwasborstels en droogdoeken is een sein dat de gezelligheid is afgelopen. U had uw afwasroutine beter kunnen opschorten tot na hun vertrek, want men laat bezoekers niet aan hun lot over. Toen uw man als een nijvere Martha toch zo nodig aan de slag wilde, had hij het in z’n eentje kunnen doen, terwijl u zich met de gasten onderhield.

Artikelen in Buren, Etiquette, Visite.

Gelabeld met , .


Horizontales

Virginia Rounding: Grandes Horizontales. The Lives and Legends of Four Nineteenth-Century Courtesans. Bloomsbury. Importeur E 35.

Bij de demi-monde kan iedereen zich wel iets voorstellen: een frivole wereld van gemaskerde bals en voluptueuze diners, waar mensen in de gunst van de vorst proberen te komen, elkaar billets doux toestoppen en waar geroddeld wordt over wie het met wie houdt. Er zaten geen mannen in de 19de-eeuwse demi-monde, dat spreekt voor zich. Deze term werd gereserveerd voor vrouwen van een bepaald slag: wannabes, buitenlandse vrouwen, gescheiden of verlaten vrouwen, lustige weduwes, maintenées, courtisanes, kortom allerlei types om wie de geur van schandaal hing. In uiterlijk, modieuze uitdossing en sjieke manieren onderscheidden zij zich niet van de vrouwen uit de respectabele haute monde, maar de grens tussen deze twee categorieën lag onwrikbaar vast en was slechts in één richting permeabel: van boven naar beneden. Elke haute-mondaine liep de kans door pech gedeclasseerd te worden tot demi-mondaine, maar voor een demi-mondaine bleven de topregionen onbereikbaar, hoeveel rijkdom ze ook vergaarde en hoeveel filantropische werken ze ook ondernam.

In Grandes Horizontales beschrijft Virginia Rounding de levens van en de legendevorming rond vier beroemde 19de-eeuwse courtisanes: Marie Duplessis, Cora Pearl, La Païva en La Présidente. Marie Duplessis was de enige van wie ik wel eens gehoord had (Liszt had een oogje op haar of zij op hem of allebei op elkaar, herinnerde ik mij uit een biografie van George Sand), de andere drie waren nieuw voor mij. De kennismaking met dit viertal viel me niet mee. Dat ligt uiteindelijk toch aan hun beroep. Drie van de vier (alleen La Présidente niet) voorzagen in hun onderhoud door prostitutie. Zeer hoogbetaalde prostitutie weliswaar, waarmee ze ongehoorde topinkomens verdienden, maar deze broodwinning levert nu eenmaal niet het interessantste biografisch materiaal op. De lezer raakt al snel de kluts kwijt bij de vele met naam en toenaam vermelde markiezen, officieren, scheepsbouwers, kapitalisten, ambassadeurs en leden van de lagere landadel, die liaisons aangingen met deze dames.

In het 19de-eeuwse Frankrijk (en niet alleen daar) was het te gelde maken van jeugd en schoonheid voor vrouwen eigenlijk de enige manier om vooruit te komen. Jonge meisjes hadden ook reguliere baantjes, als dienstmeisje, hulpje in een wasserij, stomerij of kleermakerij, als leerling-hoedenmaakster of bloemenverkoopster, later ook als fabrieksarbeidster, maar de lonen waren zo laag, dat velen de prostitutie als bron van neveninkomsten beoefenden. Afhankelijk van de sociale status van de heren die gebruik maakten van hun diensten, kregen de meisjes een specifiek label toegemeten. Rounding geeft een overzicht van soorten prostituées. Je had de filles soumises, geregistreerde hoeren die regelmatig door de autoriteiten op geslachtsziekten werden gecontroleerd, en de femmes galantes oftewel maintenées, die op eigen gezag opereerden buiten het gezag van de autoriteiten om. Tussen deze twee uitersten in bloeiden allerlei dubbelzinnige variaties. Je had de grisette, een meisje uit de werkende klasse die binnen haar eigen klasse zou trouwen, en in de tussentijd een wat rijkere minnaar had die haar met luxe-artikelen begiftigde. De lorettes kwamen uit een hogere stand, en waren vaak gescheiden of verstoten. Door slimme prostitutie konden zij zich woningen in de betere wijken permitteren. Verder had je nog cocottes (professioneler dan de grisettes) en cocodettes, voor wie de klanten lang van tevoren moesten reserveren.

De grandes horizontales uit het boek hadden met elkaar gemeen dat ze alle vier over een brandende ambitie beschikten en op jonge leeftijd geschikte mannen tegenkwamen, die hen in de juiste milieus katapulteerden. Geschikt in de zin van bereidheid veel geld aan hen te spenderen. Marie Duplessis, die een beroerde jeugd had gekend in een armoedig Normandisch dorp, is een schoolvoorbeeld van hoe een sappelende kleermaakster op haar zestiende binnen een paar maanden een gevierde courtisane kon worden, door een aaneenschakeling van verliefde mannen, die telkens net weer rijker waren dan hun voorganger.

In het courtisanedom gaat het erom een man zodanig te boeien dat hij in je levensonderhoud voorziet. Hij koopt en meubileert een woning, kleren, juwelen, alles. Van een officiële verbintenis is geen sprake, want een huwelijk en eventueel gezinsleven (van de man) vinden elders plaats. Gevierde courtisanes houden er vaak meerdere ‘cliënten’ tegelijk op na, waarbij ze zorg dragen dat de een de ander niet voor de voeten loopt. Ook hebben ze soms amants de coeur, geliefden die niet hoeven te betalen.

Het ene succes jaagt het andere aan. Hoe extravaganter de levenstijl van een courtisane, hoe meer zij voor aantrekkelijk en sexy doorgaat, en hoe meer mannen in de rij staan om hun geld ook naar zo iemand toe te dragen. Een avondje uit naar het theater of de opera, met de ogenstrelende Marie Duplessis als metgezel, werkte statusverhogend voor de door haar uitverkoren man. En hoe hoger van aanzien de man met wie zij werd gesignaleerd, hoe meer zij haar tarieven kon opschroeven.

Een harde wereld kortom, waarin seks op dezelfde manier wordt geëxploiteerd als in groezelige hoerenkasten aan de onderkant van de maatschappij. Wat de levensverhalen van deze grandes horizontales extra bitter maakt is dat zij de financiële onafhankelijkheid die zij zo hoog in hun vaandel schreven en die hen ook wezenlijk onderscheidde van de door souteneurs of hoerenmadams geknechte laag-allooi-prostituées, te grabbel gooiden alsof het niet op kon. Hoe enorm veel geld Duplessis en La Païva, in mindere mate Cora Pearl, ook binnenkregen, de schulden waren altijd groter. Als ze maar vijf procent opzij hadden gelegd, hadden ze altijd comfortabel kunnen leven, maar zo’n instelling past blijkbaar niet in die wereld. Een dolgedraaide luxueuze levensstijl, casinobezoek, paarden, de continue aanschaf van kleren en juwelen zorgden ervoor dat Duplessis berooid stierf – al op haar 23ste aan tbc. Ook de uit Engeland afkomstige Cora Pearl en La Païva, van Russisch-joodse origine, kwamen uiteindelijk aan lager wal.

Duplessis werd vereeuwigd door Alexandre Dumas fils in zijn La dame aux camélias. Dumas was een cliënt van haar geweest, tot hij haar niet langer kon betalen. Zijn roman had weinig met haar leven te maken, zoals Rounding laat zien, maar heeft wel bijgedragen tot haar onsterfelijke roem.

Iets aansprekender dan de rest is het leven van Apollonie Sabatier, die La Présidente werd genoemd, omdat zij gedurende een jaar of tien elke zondagavond de literair-artistieke elite van Parijs bij haar thuis ontving voor een diner en een goed gesprek. Apollonie was de maintenée van een rijke Belgische groot-industrieel en kunstliefhebber, Alfred Mosselman. Apollonie zat niet zozeer in de prostitutie-business, maar was meer een kunstluis. Haar verhouding met Mosselman was op liefde gebaseerd. Toen hij er na vijftien jaar een eind aan maakte, was ze zo in haar trots gewond dat ze zijn ‘afkoopsom’ afsloeg, wat op z’n minst niet erg verstandig was. Apollonie is alleen interessanter dan de drie andere vrouwen, omdat de mannen met wie ze omging interessanter zijn. De beeldhouwer Clésinger maakte een beeld van haar: ‘Femme, piquée par un serpent’ dat eenmaal tentoongesteld een schandaal veroorzaakte door de post-orgastische vervoering die hij in marmer getroffen had. Op haar soirées kwam tout Parijs: Théophile Gautier, Maxime Du Camp, de gebroeders Goncourt, Flaubert (als hij in de stad was), Baudelaire die een serie gedichten aan haar wijdde. La Présidente was gevierd en bewonderd, maar werd ook tegemoet getreden als ‘one of the boys’, getuige de scabreuze toon en dubbelzinnige grapjes die Gautier zich veroorloofde in brieven naar haar, een toon die gebruikelijk scheen te zijn in haar salon.

Muze voor en gezelschap van kunstenaars was de rol die Apollonie zichzelf had toebedacht. Daar slaagde ze in en het is vast een leuk mens geweest. Doordat er verder zo weinig inhoudelijks van haar is overgebleven – de Goncourt broers hebben geen memorabele uitspraken van haar opgetekend – blijft ze als persoon toch oningevuld. Horizontaal of verticaal, geen enkele vrouw ontsnapte aan dienstbaarheid aan en parasitisme op de man. Behalve dan George Sand, voor wier zeldzame onafhankelijkheid en eigenzinnigheid mijn bewondering nog groter is geworden na het lezen van dit boek.

Beatrijs Ritsema

Artikelen in NRC-boekrecensies.