Spring naar inhoud


Schoonzoon springt niet bij

Beste Beatrijs,

Mijn dochter van 26 woont sinds drie jaar samen met haar vriend. Hij is 31 en heeft een vaste baan. Op financieel gebied deelden ze tot dusver alle kosten. Zij wonen nog steeds op kamers. Om haar studie te versnellen heeft ze haar bijbaan opgezegd. Ze heeft nu voor minstens zes maanden geen inkomsten. Om toch aan haar financiële verplichting voor het huishouden te voldoen, neemt ze haar spaartegoed van 1000 euro op. Dit is over drie maanden op. Omdat wij dat sneu vinden voor haar, geven wij als ouders haar extra geld. Toch steekt het ons dat haar vriend haar niet helpt. In een relatie van drie jaar samenwonen zou hij degene moeten zijn die haar tijdelijke financiële nood opvangt. Het is immers in beider belang dat zij snel afstudeert (zonder studieschuld) en een baan vindt. Maar hij heeft liever dat ze bij haar ouders aanklopt, zodat hij financieel wat ruimer zit en kan sparen. Mijn dochter is te trots om zich door hem te laten onderhouden en laat het zo. Wij zijn echter van plan hem hierop aan te spreken; doen wij daar goed aan?

Onze schoonzoon verzaakt z’n plicht

Beste Onze schoonzoon,

Spreek uw toekomstige schoonzoon hier niet op aan. Hoewel u gelijk hebt dat in een stabiele samenwoonrelatie de een bereid zou moeten zijn een half jaar onderhoud voor de ander te betalen. Dat hij dit niet wil, geeft te denken. Misschien is hij toch niet zo serieus met haar? Of misschien wil hij inderdaad lekker op zijn eigen geld blijven zitten.

U moet zich er niet mee bemoeien, omdat uw dochter dat niet op prijs zal stellen. Natuurlijk wil zij niet dat u haar vriend onder druk gaat zetten om voor haar te dokken. Als hij zwicht voor het beroep dat u op hem wil gaan doen, gaat hij daar misschien over mopperen tegen uw dochter. Als hij bij zijn standpunt blijft (niet betalen), dan raken de verhoudingen tussen u en deze vriend op een andere manier verstoord. Kortom dit ‘aanspreken’ van u kan voor uw dochjter alleen maar verkeerd uitpakken. Haar spaargeld van 1000 euro gaat op. Dat is helemaal niet erg. 26 jaar is aan de late kant om af te studeren. Zij moet maar flinke haast maken, dan kan ze weer een baantje vinden. Met haar vriend zal ze nog eens een uitgebreid en stevig gesprek over geld moeten voeren, maar daar hebt u als ouders ook niets mee te maken.

Artikelen in Liefde en relaties, Ouders en volwassen kinderen, Schoonfamilie.

Gelabeld met , .


Vooruitgangsparadox

Barry Schwartz: The Paradox of Choice. Why More Is Less. HarperCollins. 265 blz. $ 23.95

Gregg Easterbrook: The Progress Paradox. How Life Gets Better While people Feel Worse. Random House. 376 blz. $ 24.95

Autonomie is een van de krachtigste drijfveren van de mens. Dertig jaar geleden werd in een experiment vastgesteld dat die behoefte zich al manifesteert bij baby’s van drie maanden oud. Men hing boven de wiegjes een doorzichtig scherm op, waarachter grappige knuffelbeesten waren bevestigd; wanneer de baby per ongeluk zijn hoofd naar links draaide, ging er een licht aan en voerden de beesten een dansje uit. De baby’s vonden dit leuk om naar te kijken en kregen snel in de gaten hoe ze zelf de voorstelling in gang konden zetten. Een controlegroep van baby’s kreeg op dezelfde momenten ook zicht op dansende knuffelbeesten, maar zij konden niet zelf het licht aandoen. De baby’s-met-invloed gingen langer door met plezier beleven aan hun uitzicht dan de groep die moest afwachten tot het lichtje aanging, hoewel aanvankelijk alle baby’s even verheugd waren met de interessante visuele stimuli. Nog leuker dan een leuk uitzicht is het om de baas te zijn over het bedieningspaneel, ook als je pas drie maanden oud bent.

Met autonomie in het algemeen gaat het zeker niet slecht. Mensen beschikken op alle gebieden van het leven over tal van mogelijkheden, waaruit ze in alle vrijheid kunnen kiezen. In zijn boek The Paradox of Choice beschrijft sociaal-psycholoog Barry Schwartz hoe hij een aantal jaar geleden een spijkerbroekenwinkel binnen liep en vroeg om een spijkerbroek, maat 28 waist en 32 length (dik is hij niet). ‘Wilt u slim fit, easy fit, relaxed fit, baggy of extra baggy?’ kreeg hij te horen. ‘Wilt u stone-washed, acid-washed, of distressed? Wilt u een knoopsluiting of een rits?’ Van de hoeveelheid keuzes kon hij de verschillen niet zo snel doorgronden en toen hij de verkoopster vroeg om een ‘gewone’ spijkerbroek, wist zij op haar beurt niet wat nou eigenlijk ‘gewoon’ was. Een simpel taakje waarmee hij vroeger in tien minuten klaar was, bleek ineens een ingewikkelde onderneming met voor elke keuzemogelijkheid allerlei voor- en nadelen die tegen elkaar moesten worden afgewogen.

Het is prettig om te kunnen kiezen, maar als de scala van mogelijkheden te groot of de inzet te zwaar is, wordt kiezen een last. Dit geldt voor ontbijtgranen (de gemiddelde Amerikaanse supermarkt biedt 128 variaties op corn flakes), voor frisdranken, biersoorten, ijssmaken, maar ook voor elektronische apparaten, kleren, internetaanbieders, energieleveranciers, studievakken op de universiteit, vrijetijdsbestedingen, pensioenplannen, hypotheken en carrièrebeslissingen. Zelfs ook voor levenspartners. Het feit dat echtscheiding bij de statistisch normale gebeurtenissen hoort maakt scheiden tot een optie die althans het overwegen waard is. Mensen zeggen altijd dat ze de keus willen hebben, maar in de praktijk worden ze vaak door de mogelijkheden overweldigd of lamgeslagen. In de winkel kiezen ze de videorecorder met de meeste opties, en eenmaal thuis kunnen ze zichzelf er niet toe krijgen de gebruiksaanwijzing door te lezen, zodat 95 procent van de mogelijkheden onbenut blijft. Vraag je aan mensen of ze zeggenschap willen over hun behandeling in geval van kanker, dan zegt 65 procent ‘ja’, terwijl van de mensen die daadwerkelijk kanker krijgen nog maar 12 procent zelf wil beslissen.

Iedereen wil voortdurend kunnen kiezen, maar moet men inderdaad voortdurend kiezen, dan leidt dat tot de tirannie van de kleine beslissingen. Veel ouders introduceren onnodige stress in het gezin door jonge kinderen triviale en veel te uitgebreide keuzes voor te houden, wat tot chaos en vertraging leidt. Een teveel aan keuzes maakt het leven stroperig om doorheen te waden. Er zijn wel grote persoonlijke verschillen. Je hebt de maximizers, dat zijn mensen voor wie alleen het beste goed genoeg is. Zij doen terdege aan vergelijkend warenonderzoek en schuimen de hele stad af op zoek naar een trui, een jas, een stofzuiger in de beste kwaliteit/prijs-verhouding. Daartegenover staan de satisficers: zij zoeken ook naar bepaalde consumptiegoederen, meestal met een plafondprijs in hun hoofd, en als ze iets gevonden hebben wat ‘goed genoeg’ is, kopen ze het zonder zich af te vragen of er verderop misschien iets nog beters is te vinden.

Het zal duidelijk zijn dat de maximizing-strategie tot meer tijd- en energieverlies leidt, naarmate het aantal keuzemogelijkheden toeneemt. Maximizers zitten eindeloos te dubben en ervaren ook vaker spijt na een aankoop dan satisficers. De maximizing-strategie, die nuttig is in een omgeving met een overzichtelijk aantal keuzes, keert zich tegen zichzelf bij een ongelimiteerd keuzeaanbod. Mensen die er steeds op uit zijn het beste voor zichzelf te scoren draaien dol in de hedonistische tredmolen en blijken overigens in het algemeen minder tevreden, minder gelukkig, minder optimistisch in het leven te staan en meer last van depressie te hebben dan degenen die zich op zeker moment tevreden stellen met wat goed genoeg is volgens hun eigen standaard. Voor de satisficer vormt de veelheid aan keuzes geen probleem. Hij hoeft niet alle 80 soorten bier te proberen, omdat hij toch al weet wat hij lekker vindt. De maximizer verliest de controle, de satisficer behoudt die juist. Waaruit volgt dat de satisficer de enige waarachtige maximizer is, want hij kiest niet alleen datgene waar hij tevreden mee is (een fijne sofa die bijdraagt aan zijn comfort), maar weigert verder ook te tobben over gemiste kansen (de mogelijkheid dat een andere studie, andere partner, andere werkkring hem meer geluk hadden gebracht) of over het bittere feit dat de keus voor het ene (bijvoorbeeld vakantie aan het strand) impliceert dat skiën er niet in zit.

Persoonlijk geluk hangt minder samen met toename van het aantal keuzemogelijkheden dan met besluitvaardigheid. Waarom kost het mensen vaak zo veel moeite om hun keus te bepalen? Omdat er meer factoren meespelen dan het verwachte rendement – mensen vergelijken zichzelf met anderen en de mate waarin anderen het beter of slechter doen dan zijzelf heeft consequenties voor hun tevredenheid. Veel aanschaffen (dure expressoapparaten, four-wheel-drives) worden eerder ingegeven door statusbehoefte dan door aardigheid in het object zelf. In een experiment, waarin mensen konden kiezen tussen een jaarsalaris van 50.000 dollar per jaar, terwijl de collega’s 25.000 verdienden, of een jaarsalaris van 100.000 dollar, terwijl de rest 200.000 verdiende, sprak meer dan de helft van de proefpersonen zijn voorkeur uit om een grote vis in een kleine vijver te zijn. Liever minder geld dan meer, zolang het maar meer is dan de anderen.

Sociale vergelijking is een bron van ontevredenheid, tenminste wanneer men zich opwaarts vergelijkt – met degenen die net ietsje rijker, succesvoller (en daarom gelukkiger?) lijken dan jezelf. In het boek The Progress Paradox verbaast journalist/econoom Gregg Easterbrook zich over het merkwaardige verschijnsel dat iedereen klaagt en zich ongelukkig voelt, terwijl het in Amerika (en de rest van de westerse wereld) nog nooit zo goed is gegaan. 52 procent van de Amerikanen denkt dat hun ouders beter af waren dan zijzelf. Het percentage mensen dat de kwalificatie ‘(redelijk) gelukkig’ op zichzelf van toepassing vindt is sinds de jaren vijftig constant gebleven, terwijl in diezelfde periode de aandoening ‘depressie’ vertienvoudigd is. Van de nu levende Amerikanen maakt een kwart tijdens zijn leven tenminste één keer een periode van serieuze depressie door. Geluk meten is overigens niet zo makkelijk. Meestal laten onderzoekers respondenten kruisjes zetten op vijf- of zevenpuntssschalen van zeer ongelukkig naar zeer gelukkig, maar die scores zijn nogal stemmingsafhankelijk. Als iemand net een parkeerbon heeft gekregen, is hij chagrijniger dan na een flirterig gesprek. Sociaal-psycholoog Daniel Kahneman probeerde eens een wat indirectere methode en stelde proefpersonen de vraag of zij zichzelf beschouwden als iemand ‘die de buitenwereld een glimlach toonde, maar inwendig ongelukkig was’. Hier hield hij snel mee op, omdat teveel proefpersonen spontaan in tranen uitbarstten bij deze vraag.

Los van de vraag hoe je persoonlijk geluk (qua output) kunt meten, kan aan de input-zijde ondubbelzinnig worden vastgesteld dat de omstandigheden er nooit zonniger hebben uitgezien dan in deze tijd. De materiële welvaart is zodanig toegenomen dat de gemiddelde levensduur in honderd jaar is gestegen van 41 naar 77 jaar – voor de wereld als geheel ligt dat gemiddelde op 66 jaar, wat ook een enorme stijging is. Sociale problemen waarvan men twintig jaar geleden dacht dat ze tot beschavingsinstorting zouden leiden, zijn in werkelijkheid in betekenis afgenomen. De criminaliteit in Amerika, die piekte begin jaren negentig, is nu terug op het niveau van de jaren zestig. Het echtscheidingspercentage ligt al tien jaar constant (op 40 procent) en neemt vooralsnog niet meer toe. Dwingender milieuwetgeving op het gebied van benzine, fabrieksuitstoot en afvaldumpen heeft effect gehad. In Los Angeles bijvoorbeeld komen sinds tien jaar nauwelijks nog smog-alarmdagen voor, terwijl het aantal auto’s alleen maar toeneemt. Zelfs voor nog niet ontgonnen olievoorraden liggen de schattingen nu hoger dan in de jaren zeventig. Het percentage kinderen dat zonder twee ouders opgroeit is sinds 1994 aan het dalen. De kloof in SAT-scores (algemene kennistest, die als selectie-instrument voor toelating tot de universiteit wordt gebruikt) tussen zwart en blank is de afgelopen tien jaar smaller geworden, en niet omdat de blanke scholieren slechter zijn gaan scoren. De zwarte middenklasse wordt groter en solider. Al met al een enorme vooruitgang, juist ook de afgelopen twintig jaar.

Wat niet wegneemt dat er genoeg bedreigende problemen overblijven. Easterbrook noemt er drie: schrijnende armoede in de laagste klassen (niet alleen een gevolg van een constante stroom van gelukzoekende immigranten – die armoede lost zichzelf gewoonlijk in enkele generaties op – maar ook een gevolg van een naar objectieve maatstaven te laag minimumloon), geen algemene ziektenkostenverzekering en de exorbitante zelfverrijking door de toch al superrijken aan de top van het bedrijfsleven. Deze beschamende gebreken van de markteconomie daargelaten, leidt het overgrote deel van de westerse bevolking een aangenamer en comfortabeler leven dan 99.4 procent van de mensen die ooit op deze wereld hebben rondgelopen. The good old days were terrible! Een feit waardoor natuurlijk niemand die nu leeft en ongelukkig is zich zal laten troosten, maar het kan geen kwaad dit toch af en toe even vast te stellen.

Net als Schwartz beschouwt Easterbrook de collectieve geestelijke malaise van Amerikanen als deels een gevolg van de problemen die mensen ondervinden met het maken van keuzes. De overvloedige beschikbaarheid van voedingswaar maakt niet de handen vrij voor andere interessante tijdsbestedingen, maar leidt tot zodanige overconsumptie dat op dit moment twee derde van de Amerikanen te dik is, en de helft daarvan veel te dik (obese). De overvloed aan (niet-eetbare) objecten zorgt verder voor opheffing van het verschil tussen behoeften en wensen. Behoeften komen voort uit overlevingsnoodzaak of uit identiteitsbepalende prioriteiten, niet te verwarren met de wens een Rolex-horloge te bezitten of de zoveelste kashmir sweater. In de jaren negentig kwamen ineens allerlei bedrijven tot bloei die op maat gemaakte kasten, containers en andere opbergsystemen verkochten, omdat de mensen ondanks de steeds grotere huizen de rotzooi niet meer konden wegwerken. In de accumulatie van materie ontwikkelt zich het ‘tien-hamers-syndroom’: het is in huis zo’n onoverzichtelijke bende dat elke keer als er even een hamer nodig is (bijvoorbeeld om zo’n handig opbergsysteem te installeren), de hamer nergens te vinden is, zodat Pa weer naar de mega doe-het-zelf-winkel moet om er eentje aan te schaffen voor weinig geld. In de jaren negentig deden ook de eerste personal organizers hun intrede. Gewapend met rollen plastic vuilniszakken betreden zij, nu ook in Europa, de huizen van hun cliënten, die ondergesneeuwd door hun nutteloze bezittingen niets meer kunnen vinden, de post niet meer openmaken en hopeloos depressief zijn geworden.

13 procent van de Amerikanen heeft last van eenzaamheid versus 3 procent in 1957. Er is wel degelijk reden voor ongelukkigheid. Al vrij onderaan de inkomensladder (ongeveer ter hoogte van de trede ‘modaal’) houdt een verdere verhoging van inkomsten op met bij te dragen aan het persoonlijk geluk. Behalve aan dwangmatig consumeren en de keuzeproblemen die dit met zich meebrengt, wijt Easterbrook in navolging van Martin Seligman (de man die aan de wieg stond van de ‘positieve psychologie’-beweging) de huidige geestelijke malaise aan de nog steeds aanhoudende self esteem rage, de obsessie met slachtofferschap en aan doorgeschoten individualisme. Het voortdurende verhuizen, ingegeven door wenkende carrièrekansen maar vaak ook uit noodzaak, is weliswaar een teken van autonomie, maar verzwakt langlopende banden met familie, vrienden en buurtgenoten en werpt mensen terug op zichzelf en het kerngezinnetje.

Een interessante analyse, maar kan het ook nog anders? Welzeker, menen Schwartz en Easterbrook bijna unisono: als mensen zich wat meer zouden concentreren op de (eveneens door Seligman aangeprezen) autonomiebevorderende deugden-trits ‘vergevingsgezindheid, dankbaarheid en gematigd optimisme’, dan zouden ze daar geweldig van opknappen, geestelijk gesproken. Waarmee we in het kielzog van de positieve psychologie aangeland zijn bij de richtlijnen voor het geluk, zoals Aristoteles, Marcus Aurelius, Epictetus en door de eeuwen heen nog vele anderen ze hebben uitgedragen. Waarheid en wijsheid, waar maar weinigen zich iets van aantrekken, druk als ze het hebben met het scoren van een voordelige pastamachine of het aftroeven van de buurman.

Het gemiddelde geluksniveau is sinds de jaren vijftig niet gestegen. Dat hoeft niet zorgwekkend te zijn – het kan ook betekenen dat het individuele geluksniveau onafhankelijk van de omstandigheden altijd en overal zo’n beetje hetzelfde ligt, voor de ene persoon wat hoger, voor de andere wat lager. Wél blijkt dat oudere mensen, gemiddeld gesproken, meer geluk en tevredenheid met het leven rapporteren dan jongere. Verwachtingen naar beneden bijgesteld? Door ervaring wijs en mellow geworden? Überhaupt blij dat ze nog niet onder de groene zoden liggen? Moeilijk te zeggen. Hoogstens kunnen we ons met het oog op de vergrijzing in de nabije toekomst verheugen op een automatische verhoging van het gemiddelde gelukspeil. Zo dragen oudjes toch nog hun steentje bij.

Beatrijs Ritsema

Artikelen in NRC-boekrecensies.


Vrienden komen niet opdagen op opening

Beste Beatrijs,

Het is alweer bijna een jaar geleden, maar het zit me nog steeds dwars. Als zojuist afgestudeerd keramist had ik mijn eerste expositie in een gerenommeerde galerie. In het verleden had ik wel eens eerder mijn werk laten zien, maar dit was voor mij een enorm succes. Ik nodigde per full colour kaart vrienden, bekenden en wat meer zakelijke relaties uit. Maar wat schetst mijn verbazing? Van de groep vrienden kwam er een handjevol bij de opening, de meesten lieten het afweten. En – wat misschien nog het ergste was – zonder zich af te melden, op te bellen of iets dergelijks. Op mijn vraag later wat hen bewoog niet te reageren, kreeg ik zonder uitzondering laconieke, achteloze antwoorden als: geen tijd, niet van gekomen. Alsof men een reclamefolder had gekregen, waarop je normaal gesproken niet hoeft te reageren. Moet ik deze achteloosheid als normaal beschouwen?

Ze kwamen niet

Beste Ze kwamen niet,

Dit is onbeleefd en onsympathiek gedrag, een vriend onwaardig. Wie uitgenodigd wordt voor een opening, presentatie, jubileum of feestje, maar om een of andere reden niet kan of niet wil, dient af te zeggen met een telefoontje of briefje. Liefst van tevoren, eventueel een dag later. De meeste mensen vinden het zo beledigend, als hun vrienden zonder afzegging vooraf of zonder excuus achteraf niet komen opdagen bij een bijzondere gelegenheid, dat ze dat nooit vergeten en bijgevolg deze personen ook minder als vriend gaan beschouwen. Misschien moet u dat ook maar doen.

Artikelen in Festiviteiten, Vrienden en kennissen.

Gelabeld met .


Commerciële kerkmuziek

Beste Beatrijs,

Een toonkunstkoor dat bij mij in de stad jaarlijks een aantal concerten geeft, onder andere de Mattheüs Passie, beschikt over een vriendenkring en sponsors. In ruil voor hun financiële bijdragen krijgen deze vrienden/sponsors gratis plaatsbewijzen voor de concerten, of de mogelijkheid tegen dubbele betaling meerdere plaatsbewijzen te kopen. Dat kan naar mijn mening bij alles, maar niet bij religieuze manifestaties. Vooral niet bij de Mattheüs Passie. Iedereen die een goede plaats wil hebben, zou in de rij moeten staan en wachten. Nu is het zo dat drie kwart van de kerk is gereserveerd, zodat niet-vrienden en niet-sponsors op de achterste rijen of op slechte plaatsen moeten zitten. Dit is geheel in tegenspraak met het evangelie dat in de kerk ten gehore wordt gebracht. Hoe denkt u over gereserveerde plaatsen bij religieuze muziek?

Weggestopt achter een pilaar

Beste Weggestopt,

De Kerk zelf kent een lange traditie van ongelijke behandeling van gelovigen. Tot in de jaren zestig was het gebruikelijk dat de banken voorin de kerk gereserveerd waren voor de plaatselijke notabelen, terwijl de gewone mensen achterin moesten blijven. En dat terwijl een kerkdienst een religieus gebeuren is. Het is betwistbaar of de Matthäus Passion (uitvoeren en beluisteren) wel louter en alleen onder de categorie ‘religie’ valt. Teveel mensen laten zich door de esthetiek ervan aanspreken, en niet zozeer of althans minder door de evangelische boodschap ervan. Zodra iets onder de vlag ‘kunst’ of ‘cultuur’ gaat varen, treedt het marktmechanisme in werking. Veel grote kunst zou niet op brede schaal genoten kunnen worden zonder de financiële steun van donateurs en sponsors, die op die manier het orkest of het koor in stand houden. Zonder hun vrijwillige bijdragen zou er überhaupt geen Matthäus Passion worden uitgevoerd. Donateurs krijgen als dank een mooie plaats, opdat zij blijven geven. En opdat de kunst zich kan blijven manifesteren, ook voor mensen die niet kunnen of willen betalen wat het waard is.

Uw voorstel dat iedereen zonder onderscheid in de rij moet staan leidt overigens evenzeer tot ongelijkheid. Handige types sturen jongelui die tegen een voor hen acceptabel uurtarief in een slaapzak in de rij gaan liggen, en kopen zo alle goede plaasten op, terwijl u nog steeds achteraan komt sukkelen. In een situatie van schaarste hebben de sterksten en de slimsten nu eenmaal de beste kansen. Wat Jezus van gereserveerde plaatsen bij de Matthäus Passion gevonden zou hebben, is een interessante vraag. De ene keer ranselde hij tollenaars de kerk uit, omdat ze het heiligdom misbruikten voor particulier gewin. Een andere keer zei hij: ‘Geef de keizer, wat de keizer toekomt.’ Ik denk dat hij vrede zou hebben met de status quo, omdat de schoonheid van de muziek evenals de boodschap ook achter een pilaar hoorbaar is.

Artikelen in Kerk.

Gelabeld met .


Veeleisende schoonmoeder

Beste Beatrijs,

Ik heb al twee jaar een lieve vriend. Zijn moeder is een naar en vooral egoïstisch mens. Ik vind haar zo’n spook dat ik zelfs mijn leerlingen (ik ben docent Nederlands) een opstel laat schrijven over ‘de ideale schoonmoeder’, als ze het te bont hebben gemaakt. Mijn vriend en ik wonen allebei nog thuis. We staan op de wachtlijst voor een huis, maar komen daarvoor voorlopig niet in aanmerking wegens studieschuld. Hij woont op een boerderij in het noorden van het land, ik in de Randstad. Dat is een behoorlijke afstand. Zijn ouders hebben een hoop vee, waar mijn vriend op moet passen als zij weg zijn. Altijd dus, want sinds een half jaar hebben ze een camper. Ze gaan voortdurend weekendjes op stap naar Duitsland, Oostenrijk en België. Het probleem is dat die uitstapjes onaangekondigd zijn. Ze houdt totaal geen rekening met ons en gooit onze levens steeds overhoop. En het ergste is: hij is afhankelijk van haar, want hij moet z’n studieschuld bij haar aflossen. Ze is onbeschrijflijk egoïstisch. Dit probleem beheerst mijn leven.

De pest aan schoonmoeder

Beste De pest aan,

U hebt geen probleem met uw schoonmoeder, maar met uw vriend. Die betoont zich al te afhankelijk van zijn ouders. Als hij zijn studie heeft afgemaakt, dan moet hij werk zoeken, desnoods iets aannemen wat onder zijn niveau ligt, en niet thuis bij Mama blijven wonen. Dat geldt voor uzelf trouwens ook. U bent docent. Dan kunt u toch wel ergens een etage of een zolderkamer vinden? Uw vriend moet het huis uit bij zijn ouders, een lening bij de bank sluiten, waarmee hij zijn ouders kan terugbetalen, en vervolgens de lening aan de bank afbetalen. De bank vraagt alleen maar geld en zadelt hem niet met koeien op.

U zult best gelijk hebben met uw kritiek op uw schoonmoeder, maar de essentie van de ellende zit ’m erin dat uw vriend zich niet onder haar invloed weet uit te worstelen. Daarmee laat hij ook zien dat hij de relatie met u minder belangrijk vindt. Zeg tegen hem dat hij daar weg moet (zijn ouders moeten maar een andere veeverzorger vinden) en dat hij zelfstandig moet gaan wonen. U kunt ook zelf op uw eigen salaris woonruimte huren en hem bij u laten intrekken. Blijf niet zitten wachten op huizen waar u voor staat ingeschreven, want die komen echt niet. U moet er zelf actief achteraan gaan. En por uw vriend op uit zijn lethargie.

Artikelen in Klassiekers, Liefde en relaties, Ouders en volwassen kinderen, Schoonfamilie.

Gelabeld met .


Jeffrey Wijnberg

Jeffrey Wijnberg: In het diepste van de ziel is niets te zien. Provocatieve psychologie. Uitgever Scriptum. 157 blz. E 17,95

Mensen zien zichzelf graag als gecompliceerde wezens. Ook beschouwen ze zichzelf als uniek en menen ze dat hun jeugdervaringen sterk bepalend waren voor de persoon die ze nu zijn. Ze zijn ervan overtuigd dat inzicht vooraf gaat aan gedragsverandering en dat het nuttig is opgelopen tegenslag, hang-ups en andere trauma’s uit het verleden te verwerken. Ze denken dat je eerst jezelf moet waarderen, voordat je respect van anderen krijgt. En als ze hun eigen gedrag niet begrijpen, zoeken ze de verklaring in het onbewuste.

Dit zijn allemaal therapeutische conventies die langzamerhand zo gemeengoed zijn geworden, dat cliënten die een therapeut bezoeken ervan uitgaan dat dit de uitgangspunten van de behandeling zullen zijn. Mochten deze cliënten-in-spe toevallig bij Jeffrey Wijnberg in de spreekkamer verzeilen, dan komen ze lelijk op de koffie, want Wijnberg onderschrijft geen van bovengenoemde conventies. Als vertegenwoordiger van de door hem uitgevonden ‘provocatieve psychologie’ heeft hij er in zijn boekje In het diepste van de ziel is niets te zien geen goed woord voor over. Volgens hem werken ze zelfs contraproductief.

Het laatste waar Wijnberg op uit is, is om zijn cliënten te behagen. Hij is meer van het licht korzelige gezond verstand. Dat is een andere verzameling conventies, door de eeuwen heen beproefd om de natuurlijke levenspijn het hoofd te bieden. Het gezond verstand heeft niet veel op met verwijlen in het verleden of met het idee ‘volstrekt unieke persoonlijkheid’. Aanhangers van deze richting vinden dat je beter de handen uit de mouwen kunt steken dan te blijven tobben, dat je een heel aangenaam leven kunt leiden, zonder exact inzicht in hoe je zo geworden bent, en dat je nare ervaringen beter uit je hoofd kunt zetten dan ze ter verwerking te gaan herbeleven.

Het gezond verstand, losgelaten op de therapeutische setting, valt samen te vatten als: ‘Ophouden met zeuren, graag!’ en dat is dan ook de kern van Wijnbergs provocatieve psychologie. Hij heeft hiervoor een aantal interventies paraat, (niet teveel begrip tonen, wijdlopigheid afkappen) die af en toe behoorlijk aan de botte kant zijn. Zo vervangt hij graag de onder therapeuten geliefde ‘waarom?’-vraag door ‘nou en?’ (‘Ik vlucht in allerlei oppervlakkige seksuele contacten.’ ‘Nou en?’ ‘Tja, misschien kom ik zo niet toe aan mijn onderliggende verdriet.’ ‘En wat dan nog?’ ‘Da’s misschien niet zo gezond.’ ‘Nou en? Je rookt toch ook?’, enzovoort) “Tien keer ‘nou en’ zeggen en van de meeste problemen blijft niets over,” schrijft Wijnberg vergenoegd.

Verfrissend is het wel, deze concrete, oplossingsgerichte, no-nonsense aanpak. En er zullen zeker hulpzoekers zijn die baat ondervinden bij tegengas van een kritische therapeut die ook humor en relativering in de strijd gooit. Maar niet allemaal. Er lopen toch ook mensen rond die behoefte hebben aan en zouden opknappen van een gedegen psychotherapeutisch gestuurd zelfonderzoek, dat heus niet à la de psychoanalyse jaren hoeft te duren. Die zijn denkelijk bij Wijnberg aan het verkeerde adres. Hij heeft zo’n weerzin tegen diepgaande gesprekken dat hij op het eind van het boek schrijft: ‘Voor mij persoonlijk zijn de oppervlakkige contacten met Gerard de postbode en Marion de broodjesjuffrouw de hoogtepunten van de dag: losse flodders uitdelen over de wereldpolitiek of het nut van het pindakaasdieet en ik kan er weer helemaal fris tegenaan.’ Een praatje met de broodjesverkoopster interessanter dan een sprankelend gesprek met een goede vriend over liefde, dood en het leven zelf? Kom nou, dat is al te koket.

Beatrijs Ritsema

Artikelen in NRC-boekrecensies.


Zieke vriendin

Beste Beatrijs,

Ik had vijftien jaar een goede vriendin. De laatste tijd klikte het niet meer zo tussen ons. We groeiden wat uit elkaar en er kwamen wrijvingen door allerlei omstandigheden. Echt uitgepraat hebben we dat niet. Nu blijkt ze een ongeneeslijke ziekte te hebben en op het moment dat ze dat hoorde heeft ze alle contact met mij verbroken. Duidelijke boodschap zou je denken. Ik heb veel voor haar gedaan in het verleden en voel me afgedankt. Van een wederzijdse kennis hoorde ik dat ze zich door mij gekwetst voelt, maar ik weet niet waar ze op doelt. Ook ben ik bang dat ik geen afscheid van haar kan nemen. Ik heb haar een brief geschreven, bloemen, een spiritueel boek laten bezorgen en gezegd dat ik haar graag wilde bezoeken. Zij wil dat niet. Ik ben ook een beetje boos, omdat ik vind dat ze haar ziekte misbruikt. Ook al is het natuurlijk vreselijk dat ze zo ziek is.

Afgedankte vriendin

Beste Afgedankt,

Dit ziet er somber uit. U zit muurvast, want u hebt allerlei initiatieven ondernomen om tot een vergelijk te komen, de vriendschap te redden, en de breuk tussen u beiden te lijmen. Maar uw vriendin wil niet. Ze wil zelfs geen afscheid meer nemen. Ik zie nog één mogelijkheid en dat is om aan de wederzijdse kennis die jullie hebben uitgebreid uw verhaal te doen (uitgebreider dan hierboven) en haar te vragen of zij aan uw zieke vriendin wil vragen wat er precies aan de hand is en waarom zij niets meer met u te maken wil hebben. De kennis kan als een trait d’union fungeren, uw verhaal aanhoren, haar verhaal aanhoren, en wat bemiddelingswerk doen. Heel misschien levert dit nog iets op, maar ik heb er eerlijk gezegd een hard hoofd in. Het is treurig voor u (en voor haar toch ook, zeker nu ze ongeneeslijk ziek is), maar sommige vriendschappen gaan op een gegeven moment definitief kapot, en het ziet er naar uit dat dit er zo eentje is.

Artikelen in Vrienden en kennissen, Ziekte.

Gelabeld met .


Dochter verbiedt sigaren

Beste Beatrijs,

Tot enkele jaren geleden rookte ik één sigaar per dag, zonder te inhaleren. Toen mijn dochter ging protesteren omdat ze het vies vond, vermeed ik te roken in haar nabijheid. Sinds zij milieukunde studeert, op kamers woont en alleen de weekends thuis komt, rook ik geen sigaar op vrijdag, zaterdag en zondag. Hetgeen een inbreuk betekent op een persoonlijke cultuur van vele jaren. De laatste tijd komt zij regelmatig ook door de weeks een nachtje thuis slapen. Zij gaat ervanuit dat ik ook dan geen sigaar opsteek. Van de week leidde dat weer tot grote bonje, toen ze merkte dat ik, terwijl zij boven zat, intussen beneden een kleine sigaar had gerookt. Ook wanneer wij ’s zomers buiten zitten en ik wil genieten van een sigaar en een lekker glas wijn, wordt zij woedend.

Ik vraag mij af tot hoever mijn tolerantie moet gaan. Moet ik die ene sigaar op de vier dagen in de week die nog resteren ook helemaal opgeven, omdat mijn dochter dat wil? Of mag ik van haar verwachten dat zij mij een zekere mate van plezier gunt tegenover de beperking die ik mijzelf gedurende de weekends opleg?

Ik ben de sigaar

Beste Ik ben,

Ik vind dat u in uw eigen huis mag doen wat u wilt, zolang het legaal blijft. En sigaren roken (roken in het algemeen) is nog steeds niet illegaal. U noemt geen echtgenote. Misschien hebt u die niet (meer) of misschien kan uw rookgedrag haar niets schelen, maar echtelieden moeten met elkaar tot een compromis komen over hun (voor de ander) eventueel irritante gewoontes.

Met uw kinderen hoeft dat niet! U bent toch echt de baas in uw eigen huis. U betaalt de huur of hypotheek en u beslist over meubilair, wat er te eten op tafel komt en hoe laat u naar bed gaat. Straks gaat uw dochter u vertellen dat u moet ophouden met uw gewoonte om een half uur onder de douche te staan, omdat zij dat slecht vindt voor het milieu! Zij kan over alles wat haar niet bevalt vileine Sinterklaasgedichten maken, maar daar moet het bij blijven.

Het is al heel mooi dat u zo ver gaat om rekening met haar te houden door geen sigaar in de weekends te roken. Ik zou zeggen: houd daar mee op en rook gewoon wanneer het u uitkomt. Uw dochter studeert, woont op kamers, en is alsnog vier avonden per week thuis? Dat is teveel! Suggereer haar ‘to get a life of her own’. Ze moet maar eens wat uitgaan en onder de mensen komen in de weekends. Daar zal ze leren dat er veel dingen in het leven zijn, waar ze geen invloed op heeft, en dat ze dat ook niet altijd moet willen.

Artikelen in Ouders en volwassen kinderen, Verslavingen.

Gelabeld met .


Alternatief voor trouwring

Beste Beatrijs,

Ik ben op zoek naar een alternatief voor een trouwring. Binnenkort gaan we trouwen (ik voor de tweede keer). Mijn vriend en ik zijn alletwee geen personen die sieraden dragen. Piercings en tattoos zijn ook geen opties. Hebt u nog een ideetje?

Samen zonder ringen

Beste Samen zonder,

Als u nooit enig sieraad draagt, is het lastig iets te verzinnen. U zou kunnen overwegen om twee dezelfde horloges te kopen. Of u kunt zoeken naar een merk parfum dat zowel geschikt is voor mannen als vrouwen (die bestaan wel) en dat jullie dan allebei kunt gebruiken.

Ik weet niet precies waar het u om te doen is, als u vraagt naar een alternatief voor de trouwring. Naast een symbool van verbondenheid betekent een trouwring dat u bezet bent, niet meer voor anderen beschikbaar. Zo’n signaal hoort dan permanent en zichtbaar op het lichaam te zitten ter informatie van de buitenwereld. U kunt wel twee dezelfde T-shirts of windjacks kopen, maar mensen dragen niet elke dag dezelfde kleren. En voor speciale kleren of horloges geldt dat anderen totaal niet in de gaten hebben dat u daarmee bedoelt dat u getrouwd bent. Hetzelfde met parfum, die op de ene huid trouwens toch anders geurt dan op de andere. Als u de wereld wilt laten zien dat u getrouwd bent, valt er niet aan een trouwring te ontkomen. Neem een dunnetje – dat merk je nauwelijks.

Als het u daarentegen alleen te doen is om een persoonlijk symbool (dus zonder openbare signaalfunctie), dat tijdens de huwelijksplechtigheid wordt uitgewisseld, dan zijn de mogelijkheden eindeloos. U wisselt twee steentjes van hetzelfde soort uit (kiezeltjes of diamanten of iets ertussenin) of twee gedroogde rozen, of twee gekalligrafeerde gedichten, of de tekst van een liedje dat jullie mooi vinden, of twee koffiemokken met jullie namen erop, of twee handdoeken met jullie namen erop. Van die voorwerpen spreekt u af dat ze betekenen dat jullie bij elkaar horen. Niet kwijtraken! Het voordeel van een trouwring is dat ie aan blijft en dus ook niet zo makkelijk verloren raakt.

Artikelen in Liefde en huwelijk, Traditionele etiquette.