Spring naar inhoud


Buren hebben last van klussen

Beste Beatrijs,

Ik heb niet zo’n goed contact met de buren, en nu is het volgende aan de hand. Omdat ik doordeweeks hard aan het werk ben, moet mijn kluswerk in huis in het weekend plaatsvinden. Ik moest een muurtje uithakken en daar was ik zaterdag nog niet helemaal mee klaar, dus ik heb dat op zondag na 13.00 uur afgemaakt. Toen kwamen mijn buren aan de deur om te zeggen dat zij er niet van gediend van waren en dat het overlast is en dat dat nooit mag en zeker niet op zondag. Wat moet ik nu doen?

Weekendklusser

Beste Weekendklusser,

Uw verhouding met de buren laat te wensen over, dus u moet extra zorgvuldigheid betrachten. U had uw buren van tevoren moet inlichten over wat er stond te gebeuren. U had naar ze toe moeten gaan en vertellen wat u van plan bent, dat het lawaai met zich mee brengt, en hoe lang het zal duren. Als mensen weten dat er een dag met hak- en sloopwerk aankomt, dan kunnen zij zich daar geestelijk op voorbereiden. Maar als ze door zoiets worden overvallen en de dag daarna weer, worden ze natuurlijk boos.

Nu het kwaad reeds geschied is, moet u alsnog naar ze toegaan, u uitgebreid verontschuldigen, eventueel een flesje wijn of doos chocola meenemen als pleister op de wonde. En beloof hen dat u voortaan alle vormen van overlast van tevoren zult aankondigen. Leg uit dat u van de weekends afhankelijk bent, en dat u de klus zo snel mogelijk probeert te klaren. De zondagkwestie zal dan waarschijnlijk wel opklaren.

Artikelen in Buren.

Gelabeld met , .


Gierige minnaar

Beste Beatrijs,

Sinds drie maanden ga ik om met een getrouwde man. In onze kennismakingsperiode betaalde hij alles als we uitgingen. Een paar weken geleden vond hij het nodig om mij de helft van een etentje te laten betalen, zonder hierover vooraf iets met mij afgesproken te hebben. Voelde niet fijn en ik voelde me ook voor het blok gezet. Ik ben nog lang niet zijn vriendin, al denkt hij daar iets anders over, en ik vind dan ook dat hij voorlopig onze uitstapjes (één keer per maand) moet blijven betalen. Ik wil nog veroverd worden en daar moet hij iets voor doen. Ik heb echter geen idee hoe dit in de toekomst moet gaan, als hij het echtelijk huis heeft verlaten en elders woont en dus meer tijd zal hebben om met mij iets te ondernemen. Hoe moet ik mij opstellen?

Minnares die niet wil dokken

Beste Minnares,

Na drie maanden vond uw minnaar dat jullie de restaurantrekening maar moesten delen. Tja, dat lijkt me een teken aan de wand. De romantiek verdwijnt zo wel heel snel onder tafel. De verhoudingen in zo’n geheime driehoek, als waar u deel van uitmaakt, liggen toch al scheef. De man heeft alles: twee vrouwen èn een gezinsleven. De minnares stelt haar lichaam ter beschikking op de uren dat het haar geliefde uitkomt en heeft verder weinig bijkomende gezelligheid. Een gratis warme maaltijd lijkt me dan wel het minste waar u aanspraak op mag maken. Plus natuurlijk een bontjas om het gemis aan warmte een beetje goed te maken.

Iets anders: als u zich nog lang niet ‘zijn vriendin’ voelt, waarom zou u dat dan eigenlijk nastreven? U maakt geen hopeloos verliefde indruk – u kent vast de nadelen van een relatie met een getrouwde man. Om te beginnen is de kans levensgroot dat hij helemaal niet van zijn vrouw gaat scheiden, bijvoorbeeld omdat het hem allemaal te duur is. Deze man is op de penning en bovendien onbetrouwbaar, want hij bedriegt zijn vrouw. Wat moet u met zo iemand? Kunt u niets beters krijgen? Maak u uit de voeten in plaats van stompzinnige machtsstrijdjes over 50 euro te voeren. Ga met andere vrienden eten en deel met hen de rekening. Laat uzelf veroveren door een ongebonden man – die lopen er ook rond.

Artikelen in Horeca, Liefde en relaties, Vreemdgaan.

Gelabeld met .


Geld als kraamcadeau

© Sjoerd van der Zee

Beste Beatrijs,

U vond het ongepast om in plaats van kraamcadeautjes geld voor een goed doel, bijvoorbeeld een kinderproject te vragen. Dat is precies wat wij met onze jongste drie kinderen (van de zes) hebben gedaan. Als je alles al hebt en sommige dingen al meerdere malen, vind ik het inhalig om nog meer voor jezelf te willen. Er stond een grote spaarpot naast de wieg, zodat iedereen vrij was te geven wat hij of zij wilde. Ik begrijp niet wat er ongepast aan is wanneer wij onze overdaad delen met kinderen die het minder hebben dan de onze.

Beter een goed doel dan nutteloze spullen

Beste Beter een goed doel,

Laten we wel wezen: in deze welvaartsmaatschappij heeft iedereen alles al en zijn eigenlijk alle cadeautjes overbodig. Als mijn man me een flesje parfum wil geven voor mijn verjaardag, en ik zou tegen hem kunnen zeggen dat hij dat geld beter aan een goed doel kan besteden, dan klinkt er een tikje wreedheid door in deze moreel-superieure houding.

Ik moedig niemand aan tot inhaligheid. De ontvanger mag met cadeaus doen wat hij wil. Je kunt hele stapels gloednieuwe babykleertjes, nog onuitgepakte babymobiles en knuffeldieren afstaan aan het Leger des Heils of aan Hulp voor Onbehuisden. De cadeau-code luidt immers dat de gever zich nooit bemoeit met wat de ontvanger precies uitvoert met z’n cadeau. Al begraaft hij het in de tuin.

Het punt is dat ik de symboliek van het cadeautje als blijk van genegenheid, van goede wensen en van verbondenheid niet wil ondermijnen. Mensen nemen de moeite een kleinigheid uit te zoeken, te kopen en te geven en die keten van gedragingen betekent iets: noem het voor mijn part liefde. Als je mensen hiervan weerhoudt is dat wel utilitair en rationeel maar niet erg aardig. De derde wereld verdient onze niet-aflatende bekommernis, maar hij hoeft niet tussen mij en mijn vrienden in te gaan zitten.

Artikelen in Cadeaus, Festiviteiten, Zwangerschap en baby's.

Gelabeld met , , .


Is fooi niet een belediging?

© Sjoerd van der Zee

Beste Beatrijs,

Er waren tijden dat de kapper, busconducteur en ober een fooi kregen. Daarna was er een tijd dat er 15% bedieningsgeld op de rekening vermeld stond. Volgens Trouw van 9 januari ligt de restaurantfooi nu tussen de 6,2 en 8,25 % in.

Is het eigenlijk niet een belediging, wanneer je obers een fooi geeft omdat je denkt dat ze te weinig verdienen en zielig zijn? In een kledingzaak zijn verkopers/sters met veel geduld en goede adviezen vaak langdurig met een klant bezig. Verdienen deze mensen meer dan in de horeca?

Wat te denken van de vele vrijwilligers in bijvoorbeeld verpleeg- en ziekenhuizen of in de sportwereld, die allemaal belangeloos zeer nuttig werk doen? Is een fooi nog wel op z’n plaats in deze tijd?

Afkerig van het fooi-systeem

Beste Afkerig,

Het belangrijkste wat u zichzelf moet inprenten is dat een fooi een vrijwillig gebaar is. Niemand dwingt u om met deze gewoonte mee te doen. De fooi is niets anders dan een blijk van waardering voor de geboden service. Als een ober moeite doet om het de klant naar de zin te maken en daarbij een glimlach vertoont, zullen klanten eerder geneigd zijn een fooi te geven.

Horecapersoneel ontvangt vaker fooien dan winkelbediendes of kappers. Misschien komt dat doordat het werk in de horeca zich vaker buiten kantooruren afspeelt en ook algemeen als fysiek zwaar wordt beschouwd. Zwaarder dan haren knippen of mensen in kledingkeus adviseren. Ongetwijfeld speelt in de horeca (de vrijetijdssfeer bij uitstek) ook een seksuele onderstroom mee. De vetste fooienstroom loopt van mannen – in een tevreden stemming geraakt na enige alcoholische versnaperingen – naar lieftallige serveersters. Raken de mannen nog beschonkener, dan hoeft de serveerster niet eens meer jong en mooi te zijn. Vriendelijkheid volstaat dan.

Krantenbezorgers, barkeepers en kamermeisjes vinden een fooi geen belediging, want zij kunnen die extraatjes goed gebruiken. Zij doen namelijk ongeschoold werk, en hoe nuttig dat werk ook is, we weten allemaal dat dat geen vetpot is. Wie een fooi geeft, vindt niet dat de fooi-ontvanger te weinig verdient of zielig is, maar wil de inzet van deze specifieke werker complimenteren.

Vrijwilligers doen hun werk om te beginnen al niet voor geld, dus hun een fooi geven slaat nergens op. Wel zullen ze een bosje bloemen of een ander blijk van dankbaarheid in natura gracieus in ontvangst nemen.

De fooi is en blijft een gebaar van de financieel sterken naar de financieel minder sterken en onderstreept daarmee de maatschappelijke ongelijkheid. Zolang er rijken en armen bestaan, zullen er fooien worden overgeheveld en aanvaard. Wanneer u hier moeite mee hebt, raad ik u aan u nooit buiten de westerse wereld te begeven, want in de derde wereld is het allemaal nog veel erger. Daar lopen verkeersboetes, omkoopprijzen, afdingtactieken, gidsbetalingen en oplichterspraktijken naadloos in elkaar over tot een gigantische fooien-extractie-business. En de toerist voelt zich nog schuldig ook, want zij zijn arm en hij is rijk.

Artikelen in Horeca, Zakelijke relaties.

Gelabeld met , .


Platte film op kinderfeestje

Beste Beatrijs,

Mijn dochter van elf jaar was uitgenodigd voor een verjaardagsfeestje van een klasgenote. De bedoeling was een kinderdisco, maar toen ik op het afgesproken tijdstip van 11 uur mijn kind kwam ophalen, zat iedereen naar een videofilm, American Pie, te kijken. Deze film is volgens mij niet geschikt voor basisschoolkinderen – hij heeft de leeftijdscode van 16 jaar. De dag daarna heb ik de moeder hierover opgebeld en zij verontschuldigde zich dat ze er niet op had gelet wat haar kind had uitgezocht in de videotheek. Andere ouders die ik hierover sprak, haalden hun schouders op en zeiden dat dat nu juist de lol van zo’n partijtje is: lekker gniffelen over dingen die ze maar half begrijpen. Ben ik erg ouderwets?

11 is geen 16

Beste 11 is geen,

De film American Pie is een Amerikaanse komedie, waarvan het hoogtepunt bestaat uit een masturbatie-act met een warme appeltaart. De grote hoeveelheid melige, seksueel geladen grappen spreekt vooral een tienerpubliek aan. Geen film dus voor verjaarspartijtjes van basisschoolkinderen. Op deze leeftijd houden ouders toezicht op waar hun kinderen zoal naar kijken, en zo ze dat niet voor hun eigen kinderen doen, dan toch in ieder geval voor andermans kinderen die onder hun dak verblijven. Al was het maar om geen ruzie met andere ouders te krijgen. Een kinderpartijtje hoort uit kindervertier te bestaan en films voor 16-plus vallen daar niet onder. Nogal wiedes vinden kinderen het leuk om te gniffelen over dingen die ze maar half begrijpen, maar dat moeten ze dan maar op eigen initiatief onder elkaar doen, en niet in een door volwassenen gesanctioneerd kader.

Artikelen in Kinderopvoeding, Verjaardag.

Gelabeld met .


Hork wordt gepest

Beatrijs Ritsema

Als resultaat van een schikking moet een scholengemeenschap in Almere 8200 euro betalen aan twee ex-leerlingen (broer en zus) die jarenlang gepest werden. Scholen hebben te kampen met een notoir geldtekort, maar alle juridische seinen staan blijkbaar op groen om ze nog verder af te romen zodat ze nog minder geld overhouden om het onderwijs op peil te houden, wat weer meer kans geeft op nieuwe cohorten gepeste kinderen. Mogen zij straks ook afrekenen?

Pesten is een serieus probleem, maar niemand kan volhouden dat het een doodgezwegen probleem is. Integendeel, de kinderboeken staan er al jarenlang bol van (tot het punt dat mijn dochter in de bibliotheek zegt: hè nee, alweer een boek over pesten). En in de vijftien jaar dat ik van crèche tot en met middelbare school informatieavonden heb bezocht stond overal een veilige, prettige sfeer voorop en werd keer op keer het antipestbeleid benadrukt. De laatste jaren kwamen daar pestprotocollen bij en oproepen aan de ouders om aan de bel te trekken bij (een vermoeden van) ongerechtigheden.

Ongetwijfeld gaat buiten toezicht het pesten rustig door, hoewel het me wel opvalt dat kinderen erg snel zijn om dit woord te gebruiken als iets wat een ander kind doet hun niet bevalt, net zoals ze onmiddellijk ‘kindermishandeling!’ roepen, als de leerkracht een kind bij de arm grijpt om hem van een ander kind af te trekken. Maar het thema zingt in ieder geval in die mate rond, dat elke docent op elke school op het verschijnsel bedacht is en er in voorkomende gevallen iets aan zal proberen te doen.

Het onrechtvaardige in dit smartengeldbesluit is dat het pesten voorgesteld wordt als een louter door toezichthouders op te lossen misstand. Maar bij elke pest-zaak dragen drie partijen verantwoordelijkheid: niet alleen de kwelduivels en de superviserende volwassenen (ouders, leraren), ook het slachtoffer zelf. Onder mijn vrienden bevinden zich toevallig nogal wat mensen die als kind werden gepest. Zij kwamen ervanaf door bewust hun gedrag te veranderen, de een door meer grappen te gaan maken, de ander door zich juist in te houden. Van een vader van een gepeste dochter hoorde ik eens dat hij z’n dochter van 12 had opgedragen haar ergste vijandin op te wachten en in elkaar te slaan. Ze deed het; nooit meer ergens last van gehad.

Voor dat laatste is moed nodig. Niet elk gepest kind kan zoiets opbrengen. Maar het is wel nuttig als je je eigen verantwoordelijkheid onderkent. In een tv-documentaire zag ik eens een kind worden gepest, en ik dacht: wat een irritante zeurpiet is dat – die doet bij elke flauwe opmerking van een klasgenoot alsof het een dolkstoot is. Bij thuiskomst van school hoorde haar moeder haar verlekkerd uit over al het vreselijke wat haar die dag weer was overkomen.

Edwin de Roy van Zuydewijn is ook zo’n voorbeeld van iemand die aversie oproept. In HP/De Tijd zei hij dat hij z’n schoonfamilie, althans de drie die waren komen opdagen, na het bruiloftsfeest buiten zette met de woorden ‘Dames en heren, wegwezen en oprotten’. Volgens het koninklijk huis had hij ‘Tuig, oprotten!’ gezegd. Ze zijn het in ieder geval eens over de term ‘oprotten’, die noch gastvrij, noch sociaal slim is tegenover bruiloftsgasten die 1200 kilometer hebben gereisd en zich om half zes ’s ochtends nog steeds amuseren. Elsevier publiceerde een portret van Edwin en kon geen enkele vriend vinden die iets aardigs over hem te zeggen had. Deze man gedraagt zich horkerig en wordt uitgestoten, misschien wel gepest. In plaats van z’n gedrag te veranderen gaat hij smartengeld eisen. Een slachtoffer treft immers per definitie geen blaam.

Artikelen in NRC-column.


Cadeau kraambezoek

Beste Beatrijs,

Onlangs had ik met een mede-zwangere een discussie over cadeaus. Zij is in verwachting van haar tweede kind en ‘heeft alles al’. Ze wil geen cadeautjes voor de baby, en ze is van plan op het geboortekaartje mensen te vragen om geld over te maken naar een door haar uitgezocht goed doel. Ik vind dat vreselijk ongepast, vooral omdat het over cadeautjes voor de baby gaat. Meestal zijn dat kleine dingen, waar mensen iets van zichzelf in leggen. Het zijn ook doorgaans dingen, waar je misschien niet om zit te springen maar die altijd wel van pas komen. Desnoods geef je later wat van die spullen weg aan minder bedeelden. Ik vind het lelijk om een geboortekaartje met een cadeauwens te vervuilen. Wat vindt u hiervan?

Met lege handen op kraamvisite?

Beste Met lege handen,

U hebt helemaal gelijk. Een geboorteaankondiging hoort ter ere van de baby te zijn, blijdschap uit te stralen, geen cadeauwensen te bevatten en ook geen aanwijzingen over hoe geldstromen te kanaliseren. Dat maakt een inhalige indruk. De ontvanger van zo’n kaartje krijgt dan toch het idee dat het geld hem lukraak uit de zak wordt geklopt, terwijl een kraamcadeautje symbool staat voor de goede wensen die een baby meekrijgt voor de rest van z’n leven. Het is ook helemaal niet leuk voor het kind zelf om op latere leeftijd zo’n geboortekaartje annex bedelbrief te bekijken.

Goede doelen worden weleens ingezet als cadeauwens door volwassenen die ‘alles al hebben’. Dat kan desnoods, maar het goede doel als vervanging van kraamvisitecadeautjes vind ik niet geslaagd. U schrijft het zelf al: meestal geven mensen kleinigheidjes en vaak leggen ze er iets persoonlijks in. Ik heb zelf heel vaak dezelfde (vrij goedkope) speeltjes gekocht voor pasgeboren baby’s, omdat mijn eigen kinderen daar als baby zo’n plezier van hadden. Dat is dan leuk om erbij te vertellen. Als mij was medegedeeld dat ik die vijf euro maar aan het Leger des Heils moest geven, had ik me gepikeerd gevoeld. Het is bot en hautain als ouders op voorhand alles afwijzen wat een belangstellende kennis aan goede gaven of aardigheidjes te bieden heeft. Een kind is niet uitsluitend van z’n ouders, maar maakt vanaf de geboorte deel uit van een groter geheel.

Artikelen in Cadeaus, Festiviteiten, Zwangerschap en baby's.

Gelabeld met , , .


Trappenhuis schoonhouden

Beste Beatrijs,

Sinds tweeënhalf jaar heb ik nieuwe benedenburen, een stel, wij delen samen een trappenhuis (een- en tweehoog). Ik schat hen tussen de 25 en 30. Ikzelf ben 50.

Op een gegeven moment heb ik hen verteld, dat het een goede Amsterdamse gewoonte is, dat een-hoog de eerste trap schoonhoudt, twee-hoog de tweede, enzovoort. Ik zag meteen dat ze daar niets voor voelden. Ik stelde voor dat ik elke drie maanden óók die eerste trap zou doen (ik gebruik die tenslotte ook), en vroeg of zij dan de andere twee maanden de trap wilden bijhouden. Hoewel zij hiermee akkoord gingen, hebben zij er nooit wat aan gedaan. Ik heb hen er een paar keer op aangesproken, daarna niet meer. Lange tijd gebeurde er niets. Op een gegeven moment kon ik het niet meer aanzien en heb alles schoongemaakt. Terwijl ik bezig was, passeerden de buren mij. Buurvrouw zei niets, buurman zei: “Het was wel nodig, hè? Maar ja, wij zijn niet zo!”

In hun woning is het wel netjes en zelf zien zij er ook altijd heel verzorgd uit. Nu is het weer een half jaar verder en ik ben teneinde raad. Moet ik eens heel kwaad worden? Moet ik zelf schoonmaken en een rekening voor hun deur leggen? Als zij dan echt nog betalen ook, zal ik het pertinent weigeren. Het trappenhuis is altijd (ik woon hier nu 17 jaar) schoon geweest, nu is alleen mijn eigen trap dat nog.

Sloof voor de buren

Beste Sloof voor,

Uw benedenburen zijn jong en interesseren zich niet voor ‘de buitenboel’. Dit is een leeftijdsprobleem. Het is een beetje een studentenmentaliteit, die ik me van mezelf van vroeger ook kan herinneren. Uw buren spreiden het egoïsme van de jeugd ten toon. De buurvrouw, de trap en de entree spelen gewoon geen enkele rol in hun belevingswereld. Ze zijn bezig met hun werk, hun pleziertjes en hun eigen vrienden. Naarmate mensen ouder worden, kinderen krijgen, gaan ze het belang van een goede verhouding met de buren meer inzien, en krijgen ze meer gevoel voor verantwoordelijkheid. Maar dat kan bij hen nog wel even duren, vrees ik. En al die tijd zit u met die rotzooi in het trappenhuis.

Ik raad u aan er toch nog eens een gesprek en een kopje koffie tegenaan te gooien. Bedenk daarbij dat het uw probleem is, niet het hunne. Ze waren niet gemotiveerd tot schoonmaak de afgelopen tweeënhalf jaar, dus het zit er niet in dat dat de komende tijd wel zal gebeuren. Misschien hebben zij een huishoudelijke hulp van wie het takenpakket kan worden uitgebreid. Zo niet, stel dan een regeling voor, waarbij u hun gedeelte van de trap voor uw rekening neemt tegen de reguliere schoonmaakprijs. Stel een contractje op, laat hen het ondertekenen. Leg uit dat u de zaak niet wilt laten verloederen, dat het voor iedereen (ook voor hun bezoekers) prettig is als de entree er schoon uitziet, dat het een gezamenlijke verantwoordelijkheid is, dat u zich kunt voorstellen dat ze een druk leven leiden, maar dat u toch een schone trap wilt, en dat het niet eerlijk is als u al het werk doet. Laat ze niet beloven dat ze vanaf nu hun schoonmaaktaken wél zullen volbrengen, want ik voorspel u: het zal niet gebeuren. Ik verwacht dat ze het betalingsscenario wel zullen accepteren, want dat is voor hun een makkelijke manier om van het gezeur (zoals zij dat zien) af te zijn.

U had het presenteren van een rekening al overwogen, maar verworpen, waarschijnlijk omdat u niet als werkster wilt optreden. Ik zie niet in wat daar bezwaarlijk aan is. Als u overeenkomt de taken zo te verdelen, dan is dat toch in orde?

Artikelen in Buren.

Gelabeld met .


Verdringing helpt!

Martin E.P. Seligman. Gelukkig zijn kun je leren. Vertaling Joost Zwart. Het Spectrum. E 20.

Bertrand Russell. De verovering van het geluk. Vertaling Hans P. Keizer. Uitgever Nieuwezijds. E

Optimistische mensen leven twintig procent langer dan pessimisten. Ook geluk heeft een levensverlengende functie. Sociaal-psycholoog Martin Seligman haalt een onderzoek aan naar het verband tussen geluk en levensduur bij een groep van 178 kloosternonnen, van wie de zelfgeschreven biografietjes (bij hun intrede op jonge leeftijd in de jaren twintig van de vorige eeuw) geanalyseerd werden op het vermelden van positieve gevoelens over zichzelf. Na categorisering van deze biografietjes in vier geluksniveaus bleek dat 90 procent van de meest gelukkige groep ouder dan 85 jaar was geworden, terwijl van de minst gelukkige groep slechts 34 procent die leeftijd had gehaald. Van het gelukkigste kwart haalde zelfs meer dan de helft een leeftijd van 94 jaar; van het minst gelukkige kwart was dat maar 11 procent.

Geluk, oftewel innerlijk welbevinden, een opgewekte levensinstelling, tevredenheid met jezelf en plezier in het leven is allemaal goed voor de mens, dat blijkt maar weer eens, voor zover we dat niet allang wisten. Een hiermee overeenstemmend onderzoeksfeit, ook door Seligman gerapporteerd in zijn boek Gelukkig zijn kun je leren, is de inflexibiliteit van het individuele geluksniveau. Het lijkt er nog het meest op dat mensen een tamelijk scherp ingestelde geluksthermostaat met zich meedragen, die weliswaar fluctuaties vertoont onder invloed van externe gebeurtenissen, maar die na een periode van aanpassing aan het plotselinge geluk of aan de vreselijke tegenslag alweer snel terugspringt naar de oorspronkelijke stand. Van sommigen staat de thermostaat permanent in mineur, voor anderen is de grondtoon veel opgewekter.

Die inflexibiliteit van het individuele geluksniveau vind ik nogal deprimerend, althans wanneer ik met een therapeutische blik naar zo’n gegeven kijk. De een is een notoire zeurpiet en zwartkijker, de ander het zonnetje in huis, en wat moet je er verder mee? Maar Seligman denkt daar heel anders over blijkens de titel van zijn boek. Volgens hem is bijvoorbeeld een optimistische levenshouding wel degelijk aan te leren. Een kwestie van ‘permanente, structurele verklaringen zoeken voor goede gebeurtenissen en incidentele, specifieke verklaringen zoeken voor slechte gebeurtenissen’. Dus niet: ‘Ik ben afstotelijk’, wanneer je een blauwtje loopt, maar: ‘Zij vindt me (toevallig) afstotelijk.’ Niet: ‘Ik ben een cijfertjesfreak en heb daarom die baan gekregen’, maar ‘Ik ben slim’.

Innerlijk welbevinden correspondeert ruwweg met dingen doen die je leuk vindt, maar het is natuurlijk geen simpel hedonisme wat Seligman op het oog heeft. Hij maakt onderscheid tussen plezier als gevolg van zintuiglijke ervaringen, en voldoening als resultaat van inspanning. Het ene genoegen is instant en vervliegt alweer snel, het andere duurt langer en heeft meer invloed op de individuele geluksthermostaat. Het plezier van een heerlijk ijsje op een zomerse vrije dag versus de voldoening na een flinke bergwandeling of na het lezen van een pittig boek. Activiteiten waar mensen meer moeite voor moeten doen om ze tot een goed einde te brengen, schenken meer bevrediging, dan de genoegens die je zonder noemenswaardige inspanning kunt verwerven. Het al te hardnekkig najagen van simpele genoegens als eten, drinken, tv-kijken, nieuwe kleren kopen, computerspelletjes leidt zelfs tot een verlaagd geluksniveau (vooral tv-kijken schijnt een depressieve stemming in de hand te werken) en is dus contra-productief, terwijl mensen die zich aan moeilijker activiteiten wijden hogere geluksniveaus rapporteren. Niet tijdens trouwens. In overeenstemming met de flow-theorie van Csikszentmihalyi kenmerken mensen die geheel opgaan in bijvoorbeeld een tenniswedstrijd (wel zelf spelen), musiceren, hardlopen, wiskundeproblemen, dansen, een goed gesprek of een ambachtelijke werkzaamheid, zich juist door de afwezigheid van zelfperceptie en zelfbeoordeling. Doordat ze opgaan in hun activiteiten ervaren ze een tijdelijke onthechtheid, die ze later als geluk interpreteren.

Deze en soortgelijke inhoudelijke competenties (talenten) vormen samen met persoonlijke competenties (deugden) de bron van geluk. Bij deugden moeten we denken aan menselijke eigenschappen als eerlijkheid, rechtvaardigheid, leiderschapskwaliteiten, vindingrijkheid, spiritualiteit, vriendelijkheid, zelfbeheersing, en nog een heleboel meer. Seligman heeft er 24 verzameld, die in allerlei verschillende culturen als deugd gelden, en die hij dus een universele status toekent. Je kunt in het boek een test doen om te zien waar je sterke en je zwakke punten liggen. De tests uit het boek zijn ook in te vullen op de website www.authentichappiness.org.

In zijn opgewekte schouders-eronder-mentaliteit onderscheidt dit boek zich niet van de honderden self-help-boeken, die de boekhandels overstelpen. Waarom verdient Seligman’s poging dan toch een nadere beschouwing? Omdat hij afkomstig is uit de (relatief) harde, in ieder geval op empirische leest geschoeide cognitieve sociale psychologie. Seligman hoorde bij degenen die in de jaren zeventig de hegemonie van het Skinner-behaviorisme doorbraken. Hij deed onderzoek naar mentale controle en ontwikkelde het begrip ‘aangeleerde hulpeloosheid’ in een verklaringsmodel voor depressie. In diezelfde jaren zeventig figureerde er ook een andere met het behaviorisme concurrerende stroming, namelijk de humanistische psychologie van Abraham Maslow met z’n hiërarchie van behoeften. De kern van de kritiek van deze stroming was dat men zich in de klinische psychologie slechts met het afwijkende, het zieke en het ongelukkige bezighield, terwijl het normale, het gezonde en het gelukkige nooit werden bestudeerd. De ideeën van Maslow zijn nooit echt tot de hoofdstroom doorgedrongen, omdat de aanhangers ervan weinig met empirisch onderzoek op hadden. Seligman, die intussen voorzitter van de APA (American Psychological Association) is geworden wil eigenlijk de humanistische psychologie doen herleven, maar dan mèt empirie. Hij stichtte met een paar anderen de Positive Psychology Movement, die zich met een knipoog naar Maslow er niet langer op wil toeleggen om depressieve en ongelukkige mensen minder depressief en minder ongelukkig te maken, maar mensen in het algemeen gelukkiger.

Volgens de positieve psychologie kan dat door je niet te concentreren op de zwaktes van mensen, maar juist op hun competenties. Als voorbeeld geeft hij een vrouw die in haar jeugd misbruikt werd en later in een jaren durende therapie alleen maar depressiever werd. Toen ze, van een nieuwe therapeut, het verbod kreeg om nog langer over haar misbruik te praten en de opdracht in plaats daarvan een baantje te vinden, knapte ze in korte tijd zienderogen op.

Binnen de toenemende traumatisering en therapeutisering van Amerika (depressie is een de snelst groeiende aandoeningen) is dit een verfrissend tegengeluid. Wie z’n gevoelens van onmacht en ongeluk opzij zet om zich te wijden aan activiteiten, liefst van het niet al te makkelijke soort, die voldoening schenken, wordt gelukkiger dan degene die z’n energie steekt in het repareren van z’n zwakke punten. Verdringing werkt! Deugdzaamheid werkt ook. Mensen met een lage zelfwaardering kunnen ongelooflijk opkikkeren, wanneer zij de tijd die ze gewoonlijk besteden aan getob over hun eigen waardeloosheid gebruiken om als vrijwilliger anderen te helpen, die er nog slechter aan toe zijn dan zijzelf.

Inhoudelijk heb ik weinig aan te merken op de boodschap van de positieve psychologie. Tot mijn genoegen rekent Seligman bridgen ook bij de hogere, voldoening schenkende activiteiten (klaverjassen zal er wel niet bij horen), dus daar zit ik in ieder geval goed mee, al kun je je afvragen of het ook niet een beetje pedant is om hogere en lagere vormen van hedonisme te onderscheiden. Gelukkig zijn kun je leren is zinnige lectuur, maar Seligman is weggedreven van de wetenschap. De psychologie is in mijn ogen slechts wetenschappelijk, wanneer zij analyseert hoe de werkelijkheid is (meestal problematisch) en niet wanneer zij recepten ter verbetering opstelt. Hoe groter de pretentie van de auteur om de mensheid een zetje in de goede richting te geven – het begrip ‘win-win-situaties’ doet in dit verband een alarmbel rinkelen – hoe meer de theorie als los zand door je vingers glijdt. Al is elke paragraaf apart de moeite waard, het boek als geheel overstijgt het gezond verstand niet, want elke sympathieke geestelijk raadsman of wijze oma beweert al sinds Aristoteles hetzelfde als Seligman en de positieve psychologie.

In de jaren dertig begaf de filosoof Bertrand Russell zich ook al eens op het zijspoor van ‘hoe goed te leven’ en schreef het boek The Conquest of Happiness, onlangs in het Nederlands gepubliceerd. Een verstandig boek en in het geheel niet gedateerd. Alles wat Russell te berde brengt kan zo door u of mij ter harte worden genomen in het persoonlijk leven. Hetzelfde geldt voor Seligman. Maar de mensheid moddert voort in dwaasheid en onmacht.

Beatrijs Ritsema

Artikelen in NRC-boekrecensies.