Spring naar inhoud


De gevaren van de spiegel

Simon Blackburn: Mirror, Mirror. The Uses and Abuses of Self-Love. Uitgever Princeton University Press. 209 pag.

(drie ballen)

De Narcissus-mythe spreekt tot de verbeelding als waarschuwing tegen eigenliefde. In het verhaal wordt een schone jongeling verliefd op zijn spiegelbeeld dat hij weerkaatst ziet in een vijver. Wanhopig en verdwaasd, omdat hij het voorwerp van zijn verlangen niet kan krijgen, verschrompelt hij tot een schim van zichzelf en wordt, zoals beschreven in Ovidius’ Metamorfosen, door de goden veranderd in een narcis, de bloem die altijd met de kelk naar de grond gebogen staat. Of Narcissus nu echt verteerd werd door eigenliefde is overigens twijfelachtig, want het beeld van extreme schoonheid waardoor hij betoverd werd, herkende hij in eerste instantie niet als zichzelf. Dat besef daagde pas later en toen was hij al reddeloos verloren. De mythe zou dus ook als een waarschuwing tegen domheid (niet verder kijken dan je neus lang is) opgevat kunnen worden. Toch is zijn naam voor altijd verbonden met eigendunk, ijdelheid, zelfabsorptie, hoogmoed en aanverwante nare trekjes die onder de paraplu ‘egocentrisme’ schuilen.

Narcisme is het onderwerp van Mirror, Mirror van Simon Blackburn. De auteur is emeritus professor filosofie, doceerde zowel in Engeland als in Amerika en heeft veel boeken op zijn naam staan, waaronder ook een aantal voor een breder publiek dan alleen vakgenoten. De kiem van dit boek lag bij de aanblik van een grote billboard advertentie van het cosmeticamerk L’Oréal. De begeleidende slogan, ‘Because you’re worth it’, in combinatie met de hautaine uitstraling van het perfecte fotomodel, wekte bij hem een mate van wanhoop en razernij waar hij zelf verbaasd over stond en die hem ertoe aanzette om zich nader in het thema te verdiepen.

Wie een filippica tegen hedendaags narcisme verwacht in Mirror, Mirror komt bedrogen uit. In zijn voorwoord kenschetst Blackburn zijn boek als ‘more of a perambulation than a quest or a journey’. Geen schotschrift dus, maar een meanderende serie bespiegelingen over de maar al te menselijke neiging om het eigenbelang in de gaten te houden. Een egogerichtheid die vele vormen aanneemt, doorgaans terug te voeren op een van de zeven hoofdzonden, waarvan hoogmoed niet voor niets als oorsprong van de rest doorgaat.

Blackburn werd woedend over de L’Oréal-slogan, omdat de onderliggende boodschap van de reclame met de oogverblindend mooie vrouw volgens hem luidde: ‘Omdat jij het níet waard bent. Maar je zou het kunnen zijn, als je het spul koopt.’ Ik moet bekennen dat ik de woede van Blackburn niet helemaal kan volgen. Cosmeticabedrijven gebruiken jeugd en schoonheid als lokkertje voor hun producten – dat is niet opmerkelijk. De kreet ‘Omdat jij het waard bent’ vat ik niet op als een aanslag op mijn eigenwaarde, maar als een vrijblijvende uitnodiging om de portemonnee te trekken. Een aansporing die ook ten diepste democratisch is, want niemand, jong of oud, rijk of arm, mooi of lelijk, slim of dom, wordt geweigerd bij de aanschaf van L’Oréal-producten. Inderdaad, iedereen is het waard, als-ie maar betaalt. Maar wat precies het verband is tussen reclamefotografie, -slogans en narcisme kan de auteur niet goed uitleggen.

Het enig andere actuele voorbeeld van verzengende eigenliefde in Mirror, Mirror gaat over de economische en bancaire crisis, de ‘greed is good’-mentaliteit van de jaren rond de millenniumwisseling, het desastreuze beleid van Margaret Thatcher, Tony Blair en George Bush Jr. en de groeiende ongelijkheid in de maatschappij. Dit ruim met cijfers en statistieken besprenkelde hoofdstuk is eigenlijk de aanklacht van een linkse filosoof tegen rechtse politiek en tegen zakkenvullers. Zelfverrijking is ontegenzeggelijk een groot kwaad, maar alweer kan ik het niet als een prototypisch geval van narcisme zien. Ik zou dit gedrag en de bijbehorende geestesgesteldheid eerder betitelen als hebzucht.

Doordat Blackburn geen scherpe definitie hanteert van wat hij verstaat onder narcisme waaiert het boek alle kanten op. Het gaat over hubris en minderwaardigheidsgevoelens, over trots, zelfrespect en respect voor anderen, over bezwijken voor verleiding, over integriteit, oprechtheid en authenticiteit. Hij citeert daarbij Kant, Rousseau, Adam Smith, David Hume Aristoteles en tal van andere filosofen die hun licht over deze materie hebben laten schijnen. Allemaal heel interessant, maar er ontbreekt een leidende gedachte. Blackburn heeft een soepele schrijfstijl – dat is het punt niet. Als je op een willekeurige pagina begint te lezen, lees je vanzelf door, omdat hij mooi en helder formuleert. Maar het gaat nergens heen en de glimmende steentjes die hij verzameld heeft blijven een hoopje los zand.

Misschien is narcisme te glibberig om er iets uitgesprokens over te melden. Je komt al snel in de middle of the road sfeer terecht van ‘te veel eigenliefde werkt afstotend, maar te weinig is ook disfunctioneel’. Het motto van Mirror, Mirror komt uit Jane Austens Mansfield Park en is meteen het fijnste citaat uit het boek: ‘Hun ijdelheid zat zo vernuftig in elkaar dat ze er helemaal van gevrijwaard leken, (..) terwijl de loftuitingen voor hun pretentieloosheid hen sterkten in de overtuiging dat zij geen fouten hadden.’

Beatrijs Ritsema

Artikelen in NRC-boekrecensies.


Vrouwen reageren niet

Beste Beatrijs,

Enige maanden geleden ben ik (man, vijftiger) begonnen met daten via bekende, serieuze datingsites. Ik ga hierbij zorgvuldig te werk. Aan een dame wier profiel mijn interesse heeft gewekt stuur ik een kort mailtje – nooit een standaardbericht. Altijd probeer ik duidelijk te maken waarom de dame in kwestie er voor mij uitspringt. Nu begrijp ik heel goed dat mijn berichtjes niet altijd zullen aanslaan. Dat hoort bij internetdating. Wat ik wél erg vervelend vind is dat ongeveer de helft van de dames helemaal niet reageert. Sommige datingsites maken dat ‘even reageren’ heel gemakkelijk. Je drukt op de ‘geen interesseknop’ en er wordt een net afwijsberichtje verstuurd. Maar zelfs dat is voor velen kennelijk al te veel moeite.

Ik vind dit gedrag ronduit lomp en respectloos. Als je in de offline wereld door iemand op een beleefde wijze wordt aangesproken, doe je toch ook niet net alsof die ander lucht is? Ze vernederen mij door me te laten wachten op een antwoord dat nooit komt. Bovendien vertragen ze de boel. In wezen plegen de niet antwoordende dames obstructie in het proces van zoeken en daten. Bij mij kan iedere nette mailster rekenen op een reactie. Die reactie kan ook ‘nee’ zijn. Voor mij is dat een kwestie van fatsoen. Stel ik te hoge eisen?

Geen sjoege

Beste Geen sjoege,

Uw ergernis is terecht, tegelijk is er helemaal niets aan te doen. Uw manier van opereren bij internetdating is correct, rationeel en efficiënt, maar de praktijk leert nu eenmaal dat er allerlei types op die sites rondhangen die zich totaal niet bekommeren om het geestelijk welbevinden van hun mededaters en zelfs nog te beroerd zijn om de ‘geen interesseknop’ in te drukken. In de internetdatingwereld gaat het er vaak onbeleefd, onverschillig en harteloos aan toe.

Wie zich op het terrein van  internetdating begeeft treedt de poolcirkel binnen.

Hoe dat komt? Dat is nu precies het verschil tussen het echte leven, waarin fysieke nabijheid automatisch dwingt tot het in acht nemen van bepaalde egards, en het anonieme schuttersputje van internet, waar mensen zich onaangenaamheden kunnen permitteren, omdat er geen consequenties volgen. Wie zich op het terrein van  internetdating begeeft, zal zich van tevoren moeten harnassen alsof er een mijnenveld wordt betreden en zich moeten inpakken, alsof hij de poolcirkel binnen gaat. Hoe meer grofheid u verwacht, hoe minder mentale knauwen u zult oplopen.

Persoonlijk vind ik dat het altijd beter werkt om mensen in het gewone leven te ontmoeten. Ga bij een leesclub (als man hebt u de vrouwen voor het uitkiezen), ga roeien, korfballen of zingen in een koor, word actief in een politieke partij – zo leert u vrouwen terloops en op een veel rustiger manier kennen. Wilt u toch doorgaan met internetdaten, kan het overigens geen kwaad om in uw berichtjes niet alleen het profiel van de vrouw in kwestie te vleien (veel vrouwen zitten niet te wachten op projectie), maar ook nog een paar informatieve zinnen over uzelf erbij te schrijven. Een klein grapje verhoogt eveneens de attentiewaarde van uw mail. Hoe dan ook, het belangrijkste is dat u zich een onthechte houding aanmeet. Beschouw uw initiatiefberichtjes als een soort flessenpost op hoop van zegen. Wat u aan respons terugkrijgt overtreft dan tenminste uw verwachtingen.

Artikelen in Internet en e-mail, Liefde en relaties.

Gelabeld met , .


Geld is geen leuk cadeau

Beste Beatrijs,

Mijn neef (zoon van mijn zus) wordt 19. Hij heeft de familie een mail gestuurd met daarin een cadeau-suggestie, namelijk geld. Dit gebeurt vaker, het is een rijk huishouden, de kinderen hebben alles al en willen alleen geld. Ik heb geen zin om geld te geven, ik heb een leuk boek op het oog dat hij zeker interessant zal vinden. Een mooi levensbeschouwelijk boekje. Dat is persoonlijker dan geld en minder plat. Is het heel erg flauw van mij om hem dat toch te geven, onder het mom van: ik had het al gekocht? Of zal ik gewoon lappen en niet zeuren?

Neef wil geld

Beste Neef wil geld,

Als u iets op het oog hebt, wat u leuk vindt om te geven en waarvan u denkt dat uw neef het ook zal waarderen, kunt u dat natuurlijk prima cadeau doen. Geld is niet zo’n interessant cadeau, hoewel verjaardagen van tieners die ergens voor sparen vaak wel op die manier worden afgehandeld. Maar u kunt de suggestie best negeren. Als de jongen met zijn verjaardag toch al van alle kanten geld binnen krijgt, vindt hij het misschien zelfs wel leuk om ter afwisseling een zelfbedacht cadeau te krijgen.

Artikelen in Cadeaus.

Gelabeld met .


Zuinige vriend

Beste Beatrijs,

Sinds drie jaar heb ik een latrelatie met een lieve, leuke en een beetje excentrieke man. Mijn vriend is erg zuinig en vindt vervanging van spullen pas nodig als iets kapot is. Zijn huis staat vol met afgetrapte meubels, maar dat maakt hem niet uit. Hij heeft overigens geld genoeg, daar ligt het niet aan. Zijn bed, dat hij met velen heeft gedeeld, is minstens dertig jaar oud. Vervanging ervan lijkt mij een mooie bevestiging van de relatie die wij inmiddels hebben opgebouwd. Ik heb aangeboden om een nieuw bed te kopen, omdat het mijn prioriteit is en niet de zijne, maar hij wil het niet. Hij vindt het onnodig. Het onderwerp is verder niet bespreekbaar en als hij ja zou zeggen, dan is het om van mijn gezeur af te zijn. Houdt hij niet genoeg van mij of ben ik te veeleisend?

Vriend houdt poot stijf

Beste Vriend houdt poot stijf,

Stel uw vriend voor een fait accompli. Deel hem mee dat u een nieuwe matras, nieuw dekbed, nieuwe lakens, de hele mikmak gaat aanschaffen en dat hij het binnenkort thuisbezorgd kan verwachten. Wat is zijn probleem als u alles betaalt? Uw vraag ‘of hij genoeg van u houdt’ laat ik in het midden, maar als hij een reactie geeft in de trant van ‘over mijn lijk dat er hier een nieuw bed in huis komt’, laat hij zien dat hij het belangrijker vindt om zich in zijn eigen mottige troep rond te wentelen dan zijn vriendin ter wille te zijn met een alleszins redelijk verlangen. Instemmen met de aanschaf om van uw gezeur af te zijn is geen ideale, maar wel voldoende motivatie. Blijft hij categorisch nee zeggen, dan is hij de excentriciteit voorbij. Dan is hij niet helemaal fris in zijn hoofd, een probleem waarvoor een nieuw bed geen oplossing zal vormen.

Artikelen in Liefde en relaties.

Gelabeld met .


De bijl valt nu bij elf jaar

Het was weer raak: middelbare scholen openden hun inschrijvingsperiode en de bekende foto’s werden gepubliceerd van ouders die de nacht ervoor in slaapzakken voor de poort waren gaan liggen om een plaatsje voor hun kind te bemachtigen. Vernederende taferelen. In steden in de Randstad is al jaren een moordende concurrentie aan de gang om toegang tot gewilde middelbare scholen. Vaak gaat het om gymnasia die zich in een ongekende populariteit mogen verheugen, maar het kunnen ook vwo/havo-scholen zijn of exclusieve vmbo-t scholen (de ouderwetse mavo zonder wat daar tegenwoordig allemaal onder hangt). Bij overinschrijving wordt geloot tussen de aanmelders, een systeem dat in geval van uitloting bij sommige ouders zo veel woede opwekt dat ze rechtszaken aanspannen – overigens zonder succes. De concurrentie over een plaats op een gewilde school vaart onder de vlag van kwaliteit (ouders die het beste voor hun kind willen), terwijl monoculturaliteit minstens zo’n sterke drijfveer is. Veiligheid zoekt men vooral onder ons soort mensen.

Het valt goed te begrijpen dat ouders zich als leeuwen in de strijd werpen. De vervolgopleiding na de basisschool is zo’n beetje de belangrijkste beslissing voor een kind. Er zijn enorme financiële belangen mee gemoeid. Het verschil tussen vwo- en vmbo-gediplomeerden bedraagt 30.000 euro op jaarbasis. Juist omdat de toekomst van een kind ervan afhangt, is het heel vreemd dat het Ministerie van Onderwijs heeft besloten om de Cito-eindtoets die normaal in februari wordt afgenomen per 2015 naar april te verschuiven. De motivatie hiervoor is dat er op die manier een eind komt aan de huidige routine van maandenlang slabakken en musicals instuderen in de tweede helft van het schooljaar in groep 8. Een paar maanden extra regulier en serieus lesgeven zal het niveau van de leerlingen ten goede komen.

Het gevolg van het naar achteren schuiven van de eindtoets is wel dat de middelbare scholen de Cito-score niet meer kunnen betrekken bij hun toelatingsprocedure. De uitslag komt te laat, de inschrijvingen moeten dan al rond zijn. Dit betekent dat het schooladvies van de leraar in groep 8 doorslaggevend wordt. Waarom wordt die Cito-toets dan überhaupt nog afgenomen, als de leraar toch beslist?

Toegegeven, de docent van groep 8 kent de kinderen heel goed en weet precies wat voor vlees hij in de kuip heeft. De beoordeling van de leraar en de Cito-score komen grotendeels overeen en vaak genoeg krijgen kinderen met een tegenvallende testscore op advies van hun docent het voordeel van de twijfel mee en mogen ze toch naar de Havo bijvoorbeeld. Maar de leraar is niet onfeilbaar. Ook leraren lijden aan vooroordelen en koesteren, al dan niet bewust, vage persoonlijke voor- en afkeuren. Of ze neigen ertoe een kind ervoor te behoeden dat het op z’n tenen moet lopen en mogelijk faalt. Altijd weer zijn er kinderen die een onverwacht glanzende Cito-score halen, waarmee ouders het schooladvies van de leraar kunnen overrulen.

Laatbloeiers hadden het altijd al moeilijk, maar nu wordt hun helemaal de pas afgesneden.

Het aantal kinderen van wie de cito-score en het schooladvies elkaar ontlopen is niet heel groot, maar ze zijn er wel, en als die hele Cito-toets niet meer in aanmerking wordt genomen, neemt de willekeur in de selectieprocedure toe. Middelbare scholen die toch een hard criterium willen laten meewegen en niet willen blindvaren op het oordeel van de leraar zullen de leerlingscores van de entreetoets (een soort Cito-toets maar dan afgenomen in groep 7) opvragen. De scores hierop lopen grotendeels parallel aan de scores op de eindtoets, dus dat is een prima voorspeller voor later schoolsucces, maar het komt er wel op neer dat de toekomst van een kind nog eerder wordt bepaald: de bijl valt niet bij 12, maar al bij 11 jaar! Laatbloeiers hebben het altijd al moeilijk gehad, maar nu wordt hun helemaal de pas afgesneden.

De vraag is of vroege selectie van kinderen voor schoolsoorten nog wel opportuun is in deze tijd, waarin voor dyslectici, hoogbegaafden, adhd’ers en andere rugzakklantjes toch al voortdurend onderwijs op maat moet worden ingericht. Een brede school, waarbinnen leerlingen individuele trajecten op verschillende niveaus kunnen afleggen, zou selectie op jonge leeftijd overbodig maken. Met Grieks en Latijn voor de liefhebbers en herhaling van basisschoolstof voor degenen die dat nodig hebben. Wie per vak meer aan kan schuift een niveautje omhoog. Waarom is dat middenschoolplan eigenlijk ooit afgeschoten?

Artikelen in Column.


Aanhaken bij de smartphone

Beste Beatrijs,

Als maatschappijkritische werkende vrouw van 27 jaar heb ik een uitgebreide vriendenkring: oud-studiegenoten, vriendinnen, collega’s. Met enige regelmaat spreken we met een groepje af om bijvoorbeeld iets te gaan eten. Voorheen ging het maken van deze afspraken per mail, maar de laatste tijd gaan groepsafspraken en uitnodigingen voor feestjes steeds vaker via whatsapp. Als bewust niet-smartphone bezitter krijg ik (soms pas na vragen) een definitieve afspraak voorgeschoteld per mail of telefoon. Uitnodigingen komen laat aan (‘O ja, zij heeft geen whatsapp’). Laatst kreeg ik na het sturen van een mail over de laatste voorbereidingen voor een uitje een mailtje van een vriendin: ‘Koop een smartphone! -;)’ met daarna alle plannen voor de avond in kannen en kruiken.

Niet meedoen met whatsappen scheelt mij veel geregel, maar ik voel steeds meer druk om een smartphone aan te schaffen om sociaal bij te blijven. En dat terwijl ik me eigenlijk niet in het leger ‘verslaafden’ wil voegen. Wat moet ik doen? Iedereen heeft toch ook e-mail op de smartphone?

Buiten de boot

Beste Buiten de boot,

U bent natuurlijk in het geheel niet verplicht om een smartphone te kopen. Maar het is ook lastig om uw vrienden er steeds aan te herinneren dat ze u apart moeten mailen of sms-en. Dat zal onvermijdelijk misgaan. Uw vriendenkring heeft massaal gekozen voor de whatsapp als ideaal communicatiemiddel. Dat is hun goed recht. U hebt evenveel recht om dit communicatiemiddel af te wijzen. Uw situatie lijkt een beetje op de situatie van mensen tien, vijftien jaar geleden die buiten het groepsgebeuren dreigden te vallen, omdat zij geen internet en geen e-mail hadden, en die niet begrepen waarom ze niet gewoon konden worden opgebeld op hun huistelefoon.

Wanneer de meerderheid op een gegeven moment een of andere nieuwe technologie omarmt, wordt die na verloop van tijd vanzelf de standaard. Tegenspartelen helpt niet. U kunt zelf bepalen wat u het zwaarst laat wegen: vasthouden aan uw principe van geen smartphone (met het risico dat u informatie en afspraken mist) of prioriteit geven aan de sociale uitwisselingen met uw vrienden en een smartphone aanschaffen. In het laatste geval kunt u zich voornemen om, ook al heeft u zich aangesloten bij het leger verslaafden, zelf geen verslaafde te worden. Niet iedereen die een fles whisky in de kast heeft staan, wordt alcoholist tenslotte.

Artikelen in Telefoon, Vrienden en kennissen.

Gelabeld met , .


Een gênante ontdekking

Beste Beatrijs,

Mijn dochter heeft onlangs porno op mijn computer ontdekt. Ik ben een vrouw van 57 met een academische opleiding, ben psychologisch in balans en fysiek in orde. Ik heb een prima latrelatie met mijn vriend en hij en ik kijken samen af en toe naar porno. Daar is volgens ons niets mis mee. Maar mijn dochter zit er vreselijk mee dat ze ontdekt heeft dat ik dat doe. Hoe kan ik het beste reageren?

Een ongelukkige vondst

Beste Een ongelukkige vondst,

Uw dochter had niet mogen rondsnuffelen in uw computer. Als die gewoonte in uw huis bestaat, had u uw pornobestanden beter moeten beveiligen tegen de blik van uw dochter. Nu zij bij toeval op uw pornohobby is gestuit, valt er verder niet veel meer te reageren, lijkt me. Zij heeft u er al mee geconfronteerd en op dat moment zult u er niet het zwijgen toe gedaan hebben. U hebt dus al, heet van de naald, een reactie gegeven. Wat moet u er nog meer over zeggen?

U zou uw dochter nog eens kunnen voorhouden dat porno kijken geen illegale handeling is, dat een ruime meerderheid van de mannen en een minderheid van de vrouwen zich hier met enige regelmaat aan overgeeft en dat het voor de aficionado’s een stimulerend ingrediënt van hun seksleven vormt. Houd uw toelichting kort, want iedereen heeft recht op zijn of haar privéleven en het is geen goed idee als ouders en kinderen zich in elkaars seksleven verdiepen. Zeg tegen uw dochter dat het niet de bedoeling was dat zij hier tegenaan zou lopen, en dat zij, nu het eenmaal gebeurd is, er maar mee moet leren leven dat haar moeder ook maar een mens is met menselijke zwakheden.

Artikelen in Ouders en volwassen kinderen.

Gelabeld met .


Een feest op kosten van de gasten

Beste Beatrijs,

Wij kregen onlangs een uitnodiging voor de verjaardag van een oude vriend van mijn man, die hij lange tijd niet gezien heeft. Op de uitnodiging staat dat hij geen cadeaus wil. In plaats daarvan vraagt hij een financiële bijdrage (met vermelding van zijn rekeningnummer) om de kosten van het feest te drukken. In eerste instantie denk je: leuk we zijn voor een feest gevraagd, maar het heeft toch een rare bijsmaak. Zoiets kan ook op een andere manier, bijvoorbeeld bij aankomst een envelopje. Wij hebben dit nog niet eerder meegemaakt en zijn benieuwd hoe u hierover denkt.

Betalen voor een feestje

Beste Betalen voor een feestje,

Gasten die de kosten van de gastheer/-vrouw op zich nemen is een gewoonte die onder armlastige studenten wel voorkomt: iedereen neemt flessen, hapjes of geld mee om samen een feestje te houden. Ook de verjaardagsviering in een café is gebruikelijk onder krapbehuisde studenten: de jarige trakteert het gezelschap op een of twee rondjes en de rest van de avond betaalt iedereen z’n eigen consumpties. Cadeautjes komen er niet of nauwelijks aan te pas.

U hebt niet zozeer een uitnodiging gekregen als wel een vrijblijvend voorstel tot gezelligheid. Wanneer u denkt: ‘Ach, het lijkt me wel leuk’, dan maakt u het geld dat u normaal gesproken aan het verjaardagscadeau had besteed over op de rekening van deze vriend. Hebt u geen interesse in de bijeenkomst, zegt u beleefd af.

Vragen om een envelopje (zonder erbij te vermelden dat de bijdrage bedoeld is voor een specifiek gemeenschappelijk cadeau van alle gasten) is niet beter of eleganter dan vragen om van tevoren geld over te maken. Envelopjes en geld zijn een pot nat: de feestjesgever hanteert een toegangstarief. Gasten vinden het meestal prima om via een envelopje bij te dragen aan een gemeenschappelijk cadeau, terwijl ze beginnen te mokken als ze vermoeden dat hun bijdrage dient om de huishoudportemonnee van de feestjesgever te spekken. Geld vragen om de onkosten van een feestje op te vangen valt daarom niet aan te merken als toonbeeld van gastvrijheid. Wat niet wegneemt dat zo’n gelegenheid best aardig kan zijn, net zoals het aardig kan zijn om een avondje met een groep bekenden in de horeca door te brengen.

Artikelen in Verjaardag.

Gelabeld met .


De ultieme abstractie verdient ook een bedankje

Een proefschrift zonder dankwoord is als een krant zonder strip. Geen essentie, toch onmisbaar. Strips en cartoons scoren hoog onder krantenlezers, ik vermoed dat dankwoorden honderd procent lezers halen onder degenen die een proefschrift uitgereikt krijgen. In mijn boekenkast staan tal van proefschriften van vrienden en bekenden, waar ik nooit een letter in gelezen heb (kan het niet volgen, interesseert me niet) en die ik ook niet weg durf te gooien (want vrienden en bekenden), maar elk dankwoord heb ik gelezen. Ook in gewone, meestal non-fictie-boeken.

In een proefschrift zijn het de enige pagina’s, waar de schrijver als individu spreekt en waar je een inkijkje krijgt in zijn of haar persoonlijke relaties. Lectuur van het dankwoord lijkt veel op bestudering van overlijdensadvertenties: met wie hield deze persoon het allemaal? Sommige schrijvers bedanken heel veel mensen, anderen zijn kariger en het is altijd amusant om de ingenieuze zinswendingen te lezen, waarmee de bedankte personen gevrijwaard worden van wat voor inhoudelijke missers er ook in het boek mogen voorkomen. Tot je verrassing in een dankwoord figureren geeft een golf van sympathie. Níet genoemd worden daarentegen, terwijl je meent daar wel voor in aanmerking te komen, kan tot een levenslange brouille leiden. Er is weinig zo onverdraaglijk als ijskoud te worden gepasseerd, dus kan een schrijver maar beter te veel dan te weinig mensen bedanken.

Aan de Universiteit van Wageningen speelde laatst een akkefietje over dankwoorden. Agrotechnoloog Jerke de Vries mocht niet promoveren, voordat hij zijn dankwoord tot God en een citaat van Augustinus op het schutblad had verwijderd uit zijn proefschrift. Dit omdat de universiteit geen religieuze (of politieke) uitingen toestaat in wetenschappelijke geschriften. De Vries scheurde vervolgens de gewraakte pagina’s eruit. Hij verzaakte God ter wille van zijn doctorsgraad, zou je kunnen zeggen. Zo diep zit zijn religieuze overtuiging blijkbaar ook weer niet vergeleken met de vroeg-christelijke martelaren die zich, zoals de mythe van de kerkgeschiedenis het wil, liever voor de leeuwen lieten werpen dan hun geloof in de enige, echte God te desavoueren.

Betoonde De Vries zich een laffe pragmatist die zijn rug niet recht durfde te houden? Ja! Anderzijds neemt de universiteit een wel heel benepen antireligieuze opstelling in. Om niet te zeggen infantiel. Het punt is niet eens dat een dankwoord een persoonlijk karakter heeft en geen wetenschappelijke pretenties. Of de promovendus nu zijn overleden moeder bedankt, Sinterklaas of Onze-Lieve-Heer – geen van drieën bestaat en op een ander niveau toch ook weer wel. Waar het om gaat is de hautaine afwijzing (censuur in dit geval) van het niet-wetenschappelijke dat voor het gemak tot God wordt gereduceerd. Terwijl het in het leven barst van de niet-wetenschappelijkheid (relaties, ideeën, kunst, opvoeding). Tegen die niet-wetenschappelijke fenomenen heeft de universiteit geen bezwaar, alleen God en vooruit de politiek zitten in het verdomhoekje. In Wageningen vindt men dat een goede wetenschapper zich niet met God encanailleert.

Over de onverenigbaarheid van religie en wetenschap, in het bijzonder de evolutietheorie, wordt veel gesteggeld. Het wringt om in Adam en Eva te geloven en tegelijk dinosaurusbotten op te graven. Toch bestaan er wetenschappers die geen enkel probleem hebben om hun werk te combineren met hun godsgeloof. Dat is niet alleen een kwestie van compartimenten aanbrengen. De monotheïstische God vertegenwoordigt in z’n eentje het hogere, datgene wat groter en machtiger is dan de mens. De oorsprong van God is het abstraheringsvermogen van de mens. Je kunt niet leven zonder bepaalde kwaliteiten belangrijk te vinden en na te streven: liefde, strijd, loyaliteit, wijsheid, huiselijke haard, slimheid, desnoods roes. In het oud-Griekse polytheïsme kregen deze abstracties een god(in) toegewezen om te vereren, om geïnspireerd door te worden, om in te geloven. Iedereen gelooft nog steeds in dat soort abstracties, alleen noemen we ze geen Apollo of Athena meer. Op monotheïsme valt af te dingen dat het totalitairder, dogmatischer, paternalistischer en daardoor in zekere zin primitiever is dan polytheïsme. Geloofszaken kunnen beter niet worden dichtgetimmerd. Die moet je laten gaan. Een verbod op Godsvermelding in een dankwoord degradeert de wetenschap tot het enig juiste geloofsartikel. Dat is hoogmoed en het klopt niet.

Artikelen in Column.