Spring naar inhoud


De adviesrubriek ‘Moderne manieren’ gaat over etiquette en verschijnt iedere zaterdag in het dagblad Trouw (bijlage ‘tijd’), maar ook direct op Internet: zie Beatrijs in Trouw. Lees daar haar nieuwste bijdrage. Daarna komen alle problemen op deze website terecht.

Hebt u zelf een vraag over (in)correct gedrag van uzelf of anderen, dan kunt u die insturen via beste@beatrijs.com. U krijgt vrijwel altijd persoonlijk antwoord, en uw vraag kan gebruikt worden voor anonieme publicatie in het dagblad Trouw en op deze website, tenzij u er expliciet bezwaar tegen maakt.

Nu ook te volgen op Twitter! @BeatrijsRitsema

Artikelen in Etiquette.


Sappelen zonder uitzicht op winst

De economie schijnt uit het dal te geraken. Voor het volgend jaar belooft de regering een (minuscule) groei, waardoor burgers een beetje lastenverlichting tegemoet kunnen zien. Leuk natuurlijk, maar ik heb niet het idee dat er iets verandert in het algemene plaatje. Dat gaat niet zozeer over de groeiende kloof tussen rijk & arm (ook al is er veel te doen over Piketty), maar over organisatie en structuur van het werk zelf, en dan vooral de geleidelijke verdwijning van de vaste baan.

Dit is een enorm verschil met de crisis van de jaren tachtig. Enerzijds zag de situatie destijds er veel grimmiger uit: hoge werkloosheidscijfers, heel veel jongeren-met-een-uitkering die dachten dat ze nooit wat te doen zouden hebben, behalve in kraakpanden wonen en actie voeren. Anderzijds was er onder 30-plussers, het werkende deel van de bevolking, niet zo veel aan de hand. Zij die ontslagen werden in de maakindustrie genoten een redelijke uitkering en bovendien waren er allerlei sectoren in opkomst (de media, de zorg, in iets minder mate cultuur), waar mensen emplooi konden vinden, en toen de IT-sector eenmaal van de grond kwam, was het afgelopen met de werkloosheid. Achteraf gezien viel die jaren-tachtig-crisis reuze mee.

Dertig jaar geleden liep de scheidslijn tussen mensen-met-een-baan en mensen-zonder-baan. De baanlozen probeerden uit alle macht in het andere kamp te komen of stelden zich om ideologische redenen tevreden met hun basisinkomen. In deze tijd loopt de scheidslijn tussen mensen-met-werk en mensen-zonder-werk, en de laatste groep is zo ongeveer non-existent. Iedereen doet wel wat, zelfs thuisblijfmoeders hebben hun handen vol, maar de klassieke, vaste voltijdsbaan gaat eruit. Het werk is om te beginnen door de instroom van vrouwen op hun verzoek opgesplitst in deeltijdbaantjes, vervolgens losgewrikt van de grote bedrijven en de overheidsorganisaties en uitbesteed aan freelancers. Met als gevolg een afschuwelijke fragmentatie van de arbeidsmarkt.

Voor de werkgevers heeft het outsourcen van werk louter voordelen. Ze hoeven geen sociale premies meer te betalen. Wél brengt het binnen organisaties en bedrijven veel meer bureaucratie met zich mee, maar dat gedoe met roosters afstemmen en overleggen had je ook al met het groeiende aandeel parttime werk. Vooral vervelend voor de klanten, die liever één juf of meester voor de klas hebben staan dan twee of drie, die liever door dezelfde arts in het ziekenhuis te woord worden gestaan dan telkens weer een andere, die liever een vaste thuishulp over de vloer krijgen dan steeds weer een nieuw gezicht, maar hey, het gaat erom dat het werk correct en efficiënt wordt uitgevoerd. Wie het klusje opknapt doet er niet toe.
Klanten en afnemers schikken zich morrend, wat moeten ze anders? Maar de werkers zelf, afgestudeerde cultuurwetenschappers, filosofen, slavisten, bestuurskundigen, vertalers, Europakundigen, neuropsychologen, orthopedagogen, journalisten, bestudeerders van internationale betrekkingen, kunnen nergens een vaste baan vinden en worden noodgedwongen zzp’er.

Ik heb heel lang gedacht dat het niets uitmaakte wat je studeerde, omdat mensen toch vaker niet dan wel in hun eigen richting terecht kwamen, en als hoogopgeleide vond je altijd wel een baan, al was het maar bij een provinciale gemeente nota’s tikken. Niet meer dus, want dit werk wordt ook uitbesteed aan willige zzp’ers die weer even voor een week onder de pannen zijn. De lof van het zzp’erschap wordt gezongen met verwijzing naar onafhankelijkheid, werk kunnen doen waar je ‘blij’ van wordt en fijne combineerbaarheid met ouderlijke taken of mantelzorg. Van de bijkomende plicht om te acquireren, state of the art portfolio’s samen te stellen en via sociale media de zelfpromotie ter hand te nemen word ik al depressief, als ik er alleen maar aan denk. 21ste-eeuwse jongeren draaien er kennelijk hun hand niet voor om, maar het idee dat er nooit ergens een gewoon vast baantje in het verschiet ligt, desnoods parttime, moet hun toch ook wel eens naar de keel vliegen.

In de NRC-Next Carrière-bijlage afficheert theaterwetenschapper en neerlandica Alexandra Smith (38, ziet eruit als 28) zich als zzp’er op zoek naar vaste opdrachtgevers. Tien jaar sappelen en nog geen meter opgeschoven. Haar foto plus noodkreet deed me denken aan de bekende foto van de man met het sandwichbord uit de Grote Depressie: ‘Will work for food’. Al die zzp’ers zijn even zo vele mensen met deprimerende sandwichborden.

Artikelen in Column.


Aanspreekvorm voor schoonouders

Beste Beatrijs,

We hebben vier kinderen. Zij noemen ons niet bij onze voornaam, maar zeggen ‘pa, ma, moeders, vaders’. Onze twee oudsten zijn inmiddels getrouwd en de aangetrouwde kinderen willen ons, terecht, niet met vader of moeder aanspreken, want dat zijn wij niet. Wij willen niet dat ze ons bij de voornaam noemen. Dat vinden we te popi-jopi en dat doen onze eigen kinderen ook niet. We hebben voorgesteld dat ze ‘schoonvader en schoonmoeder’ zeggen, maar dat vinden ze ook niks. Gevolg is dat ze ‘Eh…’ zeggen of via handgebaren onze aandacht proberen te vangen. Nu we over deze kwestie in onze eigen omgeving wat rond vragen, blijken veel (schoon)ouders en hun aangetrouwde kinderen met ditzelfde probleem blijken te kampen. Kunt u aangetrouwd Nederland uit de brand helpen?

Wij zijn geen ‘Eh’

Beste Wij zijn geen ‘Eh’,

Aan de keus voor een aanspreekvorm gaat een andere keus vooraf: tutoyeren of niet. Die twee staan nauw met elkaar in verband. Wanneer schoonkinderen hun schoonouders met ‘u’ aanspreken hoort daar een beleefde aanspreekvorm bij: ‘meneer, mevrouw’. De combinatie ‘u’ en ‘Hans’ bekt niet lekker. Als de schoonkinderen u tutoyeren, dan past ‘meneer, mevrouw’ daar niet bij. Mensen die elkaar tutoyeren gebruiken doorgaans ook elkaars voornaam. Het een vloeit uit het ander voort. Dit geldt niet voor uw eigen kinderen, die u tutoyeren. Kinderen (klein of volwassen) zeggen ‘vader/ moeder/ pap(a)/ mam(a) of iets dergelijks, omdat ze een unieke relatie met hun ouders hebben. Als ouders bent u voor uw kinderen niet een van de vele andere volwassenen die zij met de voornaam aanspreken, maar u bent dé vader en dé moeder en de aanspreekvorm fungeert als eretitel.

Vooropgesteld dat uw schoonkinderen u toch al tutoyeren, is mijn advies: geef hun het groene licht voor uw voornaam. ‘Schoonvader/ schoonpa/ schoonpapa’ is ook mogelijk als aanspreekvorm, maar heeft iets plechtstatigs en omslachtigs. Tutoyeren plus voornaamgebruik is de laatste dertig jaar steeds meer de standaard tussen mensen van verschillende generaties die in elkaars persoonlijke cirkel verkeren en bij elkaar over de vloer komen.

Het komt in gesprekken helemaal niet zo vaak voor dat mensen elkaars voornaam gebruiken.

Wanneer u uw schoonkinderen toestemming geeft om uw voornaam te gebruiken, hoeft u overigens niet bang te zijn dat zij dat voortdurend zullen doen. Zeker wanneer hier gesteggel over is geweest, zal de drempel voor voornaamgebruik hoog blijven. Ze zullen nog steeds gewoon beginnen te praten zonder aanspreekvorm. Het komt in gesprekken nu eenmaal niet zo vaak voor dat mensen elkaars voornaam gebruiken. Tutoyeren is veel makkelijker dan iemand bij de voornaam aanspreken. Het hele probleem wordt opgelost, zodra er kleinkinderen zijn, want dan zult u merken dat de aanspreekvorm vanzelf ‘opa en oma’ wordt, omdat heel veel van de gesprekken en de interactie in het teken van de kleinkinderen staat. Uw schoonkinderen zullen het tegenover hun kinderen hebben over ‘opa en oma’ bij wie ze op bezoek gaan. Ook al bént u helemaal niet de oma en opa van uw schoonkinderen, zij zullen verassend weinig moeite hebben om u wel degelijk ‘oma en opa’ te noemen, zeker wanneer de kleinkinderen in de buurt zijn. Maar goed, dat is allemaal voor later.

Geef hun om te beginnen permissie om uw voornaam te gebruiken. Dat werkt als een intimiteitsverhogende handreiking, een gebaar dat de schoonkinderen op prijs zullen stellen, en tegelijk zullen zij maar heel mondjesmaat van dit voorrecht gebruik maken.

Artikelen in Aanspreken en begroeten, Schoonfamilie.

Gelabeld met .


Facebooknieuwtjes doorvertellen

Beste Beatrijs,

De zus van mijn vriend heeft onlangs mijn 20-jarige zoon als Facebook-vriend toegevoegd. Geen probleem, maar nu vertelt ze mij dingen over hem die ze via Facebook heeft vernomen. Soms weet ze die eerder dan ik. Mijn zoon is altijd heel open naar mij, maar ik vind het heel onprettig om via haar iets over hem te horen. Ik heb zelf geen Facebook en zou mij niet willen indringen in zijn leven. Ik ben bang dat ik mijn schoonzus kwets, als ik zeg dat ik geen ‘nieuwtjes’ over mijn eigen kind wil horen. Hoe kan ik dit oplossen?

Liever geen via-via nieuwtjes

Beste Liever geen via-via nieuwtjes,

Laat het gaan. Heel veel mensen zitten nu eenmaal op Facebook en ze accepteren ook allemaal vage kennissen als Facebookvriend. U kunt ervan uitgaan dat uw zoon geen intieme privé-informatie op z’n Facebookpagina zal zetten, waarvan hij niet wil dat iedereen het weet. Met andere woorden: er staat toch alleen maar onbelangrijke, irrelevante informatie op, die u als moeder echt niet allemaal hoeft te weten. Als iemand, bijvoorbeeld de zus van uw vriend, u vertelt dat uw zoon bij een rave helemaal uit z’n dak is gegaan, zegt u: ‘O, leuk, hoor’. Het is volstrekt onbenullige info en het gaat veel te ver om deze zus te vragen of ze de niksige nieuwtjes van uw zoon niet aan u wil vertellen omdat u het liever uit zijn eigen mond hoort. Leer er maar mee leven, want zo werkt het tegenwoordig.

Artikelen in Internet en e-mail, Ouders en volwassen kinderen.

Gelabeld met , .


Hij wil meer van mij dan leren koken

Beste Beatrijs,

Sinds een half jaar geef ik privé-kookles aan een weduwnaar. Een vriendelijke, bescheiden man, die nog erg vast zit aan zijn overleden vrouw. Het gaat hem niet zozeer om de kookles, maar meer om de gezelligheid en een luisterend oor. Hij ziet mij inmiddels als een vriendin en verlengstuk van zijn overleden vrouw. Ik zelf ervaar dat niet zo en wil het graag zakelijk houden. We zijn samen uit eten geweest en dat wil hij vaker doen. Wegens fysieke ongemakken kon ik even niet komen koken, waarop hij mailde dat hij graag op ziekenbezoek wilde komen. Ik heb geen zin in intiemere betrekkingen, maar weet niet hoe ik dat tegen hem moet zeggen zonder hem te kwetsen.

Alleen kookles

Beste Alleen kookles,

Deze man wil een zakelijke relatie ombuigen in een vriendschappelijke, misschien zelfs wel een romantische verhouding. U hebt daar geen zin in, dus dan is duidelijkheid het beste. Uzelf op de vlakte houden met smoesjes is op den duur kwetsender. Zeg tegen hem: ‘Sorry, Ferdinand, ik zie ons contact als een puur zakelijke overeenkomst en ik heb geen behoefte om het persoonlijker te maken. Ik ben er voor de techniek van haché en coq au vin.’ Als u vermoedt dat hij überhaupt niet in leren koken is geïnteresseerd, maar dat het hem vooral om vrouwelijk gezelschap en een luisterend oor is te doen, kunt u beter helemaal met de kookles ophouden en het contact verbreken. Het heeft geen zin om door te modderen op ongelijke voet met een onderwijsverhouding als dekmantel.

Artikelen in Liefde en relaties.

Gelabeld met , .


Twintigers zijn te jong voor bekommernis voor hun ouders

Elitaire lezers, een groep waartoe ik mezelf ook reken, hebben moeite met bestsellers. Als ik van een boek overal grote stapels zie liggen, denk ik al snel dat het niks kan wezen. Te veel massa-appeal, te gelikt, te commercieel. Een beetje zoals vroeger de ware muziekliefhebber naar underground luisterde en z’n neus ophaalde voor de hitparade. Merkwaardig genoeg gaat dat mechanisme niet op, wanneer ik toevallig aan het begin zit van een populariteitsgolf en enthousiast ben over een boek van een onbekende schrijver dat pas daarna een bestseller wordt. Dan vind ik het verkoopsucces alleen maar terecht, ook omdat het leuker is iets op eigen kracht ontdekt te hebben dan alleen maar braaf op te souperen wat zich aandient.

Zo heb ik de afgelopen jaren het fenomeen Knausgard met enig dedain aan me voorbij laten gaan. De stapels in de inloopboekwinkels waren te hoog, er verschenen voortdurend nieuwe delen met diezelfde markante kop erop en uit de achtergrondartikelen in de pers wist ik allang waar de serie over ging: de obsessief gedetailleerde herinneringen van een Noorse schrijver die overhoop lag met zijn jeugd, zijn vader, zijn liefdes en zijn eigen rol als vader. Iets in de sfeer van Het bureau van Voskuil, dacht ik, een kelk die ik destijds ook al liet passeren wegens te veel bladzijden en de veronderstelling van een te grote overlap met het leven zelf.

Maar goed. Tijdens een vakantieweek met een uitgebreid gezelschap van familie en aanwaaiende bekenden dat er een sport van maakt om te midden van alle drukte en maaltijdvoorbereidingen hap snap elkaars meegebrachte boeken te lezen, kwam ik ten slotte (‘Wat? Heb je die niet gelezen? Hier, neem mijn boek, ik ben zo benieuwd wat je ervan vindt!’) toch tot Knausgard, deel 1. Het was in ieder geval lectuur die zich makkelijk liet doornemen tegen de achtergrond van Risk spelende studenten, puzzelende bejaarden en kletsende vijftigers. Veel lijn zit er niet in Mijn strijd – Vader. Het meandert maar door op een niet-chronologische manier van de ene minutieus beschreven herinnering naar de volgende. Je kunt makkelijk allerlei pagina’s overslaan zonder iets essentieels te missen.

Mijn vooroordelen werden aanvankelijk ruim bevestigd: er staat heel veel overbodigs in en waarom het boek eigenlijk ‘Vader’ heette was me op de helft ervan nog steeds niet duidelijk, wanneer de schrijver tientallen pagina’s heeft besteed aan een krankzinnige, maar wel amusante herinnering hoe hij als 16-jarige samen met een vriend een herculisch plan ten uitvoer brengt om op Oudjaarsavond stiekem een grote hoeveelheid (voor minderjarigen verboden) flessen bier aan te schaffen, te verbergen en vervolgens in een barre tocht door de sneeuw te transporteren. Vader is niet bepaald een warme opvoeder, maar ook weer geen beestmens. Streng, afstandelijk, ongenaakbaar, maar als veroorzaker van jeugdtrauma’s zijn er wel ergere.

De werkelijke inslag van de vader komt pas veel later als die op driekwart van het boek overlijdt en de zoon, inmiddels 25 en allang het huis uit, samen met zijn oudere broer zijn leven moet afhechten. De vader, gescheiden en alcoholist geworden, heeft de laatste jaren van zijn leven in totale verloedering doorgebracht in het huis van zijn eigen moeder (de oma van de schrijver). De beschrijving van de puinhoop die wordt aangetroffen en de manhaftige schoonmaakpogingen is ijzingwekkend en geeft het failliet van de vader-zoon-relatie.

Hoe is het mogelijk dat kinderen (de schrijver, maar ook zijn broer) hun vader plus hun oma jarenlang zo laten afglijden de afgrond in zonder op één moment in te grijpen? Scandinavisch individualisme misschien, waar familiebanden er niet zo toe doe en waar mensen zich graag in hun eentje volgieten. Toen ik het boek uit had, las ik in de Volkskrant over een onderzoek, waaruit naar voren kwam dat oude ouders meer gebaat zijn bij dochters dan bij zonen als het op mantelzorg aankwam. Als het aan zonen lag, staken die geen vinger uit naar hulpbehoevende ouders. Even leek het lot van pa Knausgard een geval van pech. Dochters hadden hem niet in zijn eigen vuil laten omkomen. Maar dat is een onzinhypothese. Het gaat niet om sekse, maar om leeftijd.

Twintigers hebben geen oog voor de zwakheid van hun ouders. Bij de afzichtelijke troep die de zoon aantreft doorloopt hij een heel spectrum van sentimenten, maar zelfverwijt zit daar niet bij. Dat is knap gezien van Knausgard. Op het nippertje toch nog een goed boek.

Artikelen in Column.


Staren naar homo’s

Beste Beatrijs,

Net als veel heterostellen lopen mijn vriend en ik vaak hand in hand over straat. Wij vinden het belangrijk om in het openbaar voor onze liefde uit te kunnen komen. Niemand die ons daar verder op afrekent. We hebben geen last van anti-homo-uitingen. Toch is er een onvermijdelijke, maar daardoor niet minder irritante, bijkomstigheid: gestaar. Véél gestaar.

We begrijpen wel dat mensen het feit dat er twee jonge jongens hand in hand over straat lopen even in zich opnemen en het misschien ‘schattig’ of ‘bijzonder’ vinden. Maar soms gaat het ons te ver. Neem het volgende tafereel:

- Twee jongens in semi-intieme positie (handen verstrengeld, tegen elkaar aan leunen) op een zitplaats (trein/bankje in het park/restaurant).
- Persoon op een nabijgelegen zitplaats, die vertederd/ gebiologeerd/ verbaasd (en vaak eindeloos lang) naar de twee jongens kijkt.
- De jongens hebben door dat de persoon hen bestudeert, maar telkens als één van hen zijn hoofd in zijn/haar richting draait, wendt diegene de blik af, om na verloop van tijd eerst voorzichtig, dan weer pontificaal, de staarsessie te hervatten.

Wij zijn geen toeristische attractie!

Op straat kunnen we gewoon doorlopen. Maar als we ergens zitten, is het bijzonder ergerlijk als je zorgvuldig gescreend wordt door iemand die kijkt alsof hij Mick Jagger de salsa ziet dansen met een golden retriever. Negeren helpt niet. We hebben een standaard strenge/ semi-originele slagzin nodig om zulke types erop te wijzen dat we geen toeristische attractie zijn. Heeft u suggesties?

Kijk voor je!

Beste Kijk voor je,

Staren is een etiquettaire overtreding van de bovenste plank. Hoe vervelend het ook is om hier het slachtoffer van te zijn, u kunt het maar beter negeren. Onbekenden op hun nummer zetten door hen verbaal tot de orde te roepen leidt ofwel tot glasharde ontkenning of alsnog tot agressie. In ieder geval niet tot schuldbewuste excuses. Bovendien helpt een vermaning niet, want een dag later komt u weer nieuwe onbekenden tegen die hetzelfde gedrag vertonen en kunt u weer opnieuw beginnen.

Gehandicapten, mensen met gehandicapte kinderen of extreem dikke personen hebben evenveel last van ongegeneerd staren als u. Allemaal heel spijtig hoe de ouders van de starende medemens hebben gefaald in de opvoeding, maar het is onbegonnen werk om de rest van de wereld elementaire beleefdheid bij te brengen. Hoe minder aandacht u eraan besteedt, hoe minder last u ervan hebt. Concentreer u op elkaar in plaats van op de blikken van de buitenwereld.

U vraagt om een semi-originele verbale reactie om dit gedrag af te straffen. Uw eigen vondst ‘Zijn wij een toeristische attractie?’ lijkt me adequaat genoeg, maar houd in gedachten dat elke ‘Heb ik wat van je aan?’-interventie, ook de zogenaamd goedmoedig humoristische (‘Vindt u het interessant?’, ‘Nog nooit homo’s gezien?’, ‘Kunt u het goed zien of moeten we dichterbij komen zitten?’) alleen maar onprettige escalatie geeft en bovendien boter aan de galg is. Leren leven met hinderlijke blikken kost minder inspanning dan een aanhoudende stormloop ertegen.

Artikelen in Het publieke domein, Traditionele etiquette.

Gelabeld met , , .


Een ‘geen bezoek’-verzoek

Beste Beatrijs,

Mijn broer stuurde een aantal dagen voor zijn verjaardag aan zijn broers en zussen de volgende e-mail: ‘In navolging van vorige jaren zal ik mijn verjaardag samen met mijn vrouw en kinderen vieren.’ Oftewel, gaarne geen bezoek! Dit gaat al jaren zo. Ook als zijn vrouw jarig is, krijgen we zo’n e-mail. Ik zit er verder niet mee, maar ik ben wel nieuwsgierig naar de etiquette. Is het correct om familie uitdrukkelijk níet uit te nodigen voor een verjaardag?

Wegblijven alsjeblieft!

Beste Wegblijven alsjeblieft,

Uw broer is wel heel erg bang voor een onverhoedse familie-invasie met verjaardagen. Jaar in jaar uit afhoudende e-mails rondsturen lijkt enigszins overdreven. Voor verjaardagen hanteren de meeste mensen de stelregel: ‘Komt er geen uitnodiging, is er ook geen feestje’. De traditionele zoete inval op de exacte datum van een verjaardag, waarvoor geen uitnodigingen worden verstrekt maar waar wel de hele familie vanzelfsprekend geacht wordt acte de présence te geven, is een uitstervende gewoonte, omdat steeds minder familieleden allemaal op een steenworp afstand van elkaar wonen. U zou eens terloops tegen uw broer kunnen opmerken dat hij overbodige e-mails rondstuurt, omdat al heel lang niemand van de familie nog rekent op een verjaardagsfeestje bij hem thuis.

Artikelen in Internet en e-mail, Verjaardag.

Gelabeld met .


Steeds maar weer drie kussen

Beste Beatrijs,

Laatst was ik op de trouwerij van een nicht. Bij aankomst op het stadhuis begroette ik mijn oom en tante met drie kussen. Na de plechtigheid feliciteerde ik hen weer met drie kussen op de wang. Vlak daarna moest ik weg – weer drie kussen. Een soortgelijke situatie vindt binnenkort plaats. Ik ben uitgenodigd voor de verdediging van een proefschrift. Mocht ik de promovendus voor de verdediging tegenkomen, zal ik hem begroeten. Na de verdediging is het gebruikelijk om hem te feliciteren. Maar vlak daarna ga ik alweer weg. Is het van belang om in kort tijdbestek bij begroeten, feliciteren en afscheid nemen steeds drie kussen te geven of kan het ook anders?

Negen keer kussen

Beste Negen keer kussen,

Dit is nu precies het nadeel van het drie-keer-kussen ritueel. Het neemt veel tijd in beslag, vooral als er een heel gezelschap moet worden afgewerkt, en daarom houdt een groeiend aantal mensen er ook mee op. Zij geven een of twee kussen in plaats van drie, dat scheelt alweer. Het staat u vrij om hun voorbeeld te volgen en het aantal kussen dat u uitdeelt te beperken.

Bij de promotie zal het trouwens meevallen. U zult de promovendus niet van tevoren tegenkomen, want hij bevindt zich in een andere ruimte. U feliciteert hem bij de receptie (met een, twee of drie kussen, wat u maar wil), maar afscheid nemen kunt u best laten zitten. Op zo’n receptie is het druk en duurt het lang, voordat de hele rij is gepasseerd. U hoeft geen afscheid meer te nemen, want de jonge doctor is dan nog volop bezig felicitaties in ontvangst te nemen. Bij massale semi-formele recepties is het belangrijk dat er even persoonlijk contact (begroeten, feliciteren) plaatsvindt, zodat iemands aanwezigheid wordt geregistreerd. Zolang de receptie nog in volle gang is, kan het afscheidsritueel achterwege blijven, omdat het alleen maar een zwaardere belasting vormt voor het feestvarken dat toch al z’n handen vol heeft om elke gast heel even te spreken. Het is voor een vroeg-vertrekker heel gebruikelijk, zelfs gepast om niet nogmaals aandacht te vragen, maar er stilletjes tussenuit te knijpen.

Artikelen in Aanspreken en begroeten, Traditionele etiquette.

Gelabeld met .


Te dikke dochters

Beste Beatrijs,

Onze dochter (19) woont sinds tien maanden op kamers en is in die tijd zo’n 25 kilo aangekomen. Erover praten met haar is lastig, sowieso is zij niet zo’n prater. Toen ik een half jaar geleden informeerde hoe het kwam en wat zij ervan vond, barstte ze in tranen uit. Later vroeg ik er nog een keer naar, maar ze gaat het onderwerp liever uit de weg. In haar nieuwe woonplaats heeft zij het naar haar zin, ze woont in een sociaal studentenhuis, heeft fijne vriendinnen, haalt goede cijfers en overweegt er een tweede studie bij te gaan doen (wat van ons niet hoeft). Alles lijkt prachtig, maar ondertussen groeit zij in ijltempo uit tot een vadsige vrouw die daaronder lijdt. Drinken doet ze nauwelijks. Hoe moeten wij hierop als ouders reageren?

Dochter groeit dicht

Beste Dochter groeit dicht,

25 kilo gewichtstoename in krap een jaar is gigantisch! Dat is heel zorgwekkend. Dit probleem moet onder ogen worden gezien. Ga het gesprek aan met uw dochter en sta niet toe dat ze wegduikt. Een moeder-dochter-gesprek lijkt in dit geval beter dan twee ouders (overmacht) tegenover een dochter. Zeg haar dat u zich zorgen maakt en dat ze hulp moet zoeken. Om te beginnen moet ze naar de huisarts. 25 kilo toename in een korte periode is zo veel dat er best sprake kan zijn van een fysieke aandoening (slecht werkende schildklier of zoiets) De huisarts zal allerlei testjes laten afnemen, bloedonderzoek, hormoonspiegel etc. om vast te stellen of er iets aan de hand is.

Pas als fysieke mankementen uitgesloten zijn, kan zij aan haar leefstijl toekomen. Als uw dochter niets mankeert en niet gewend is om veel alcohol te drinken, dan ligt het aan haar voedselinname. Als er sprake is van een eetprobleem, zal dat door een diëtist aangepakt moeten worden, want geen denken aan dat uw dochter dat in haar eentje voor elkaar krijgt. Afvallen kan alleen geleidelijk door middel van een ander eetpatroon, liefst gecombineerd met wat meer beweging. Het zal een lange tijd duren om die 25 kilo er weer af te krijgen. Crashdiëten leiden zoals bekend alleen maar tot een jojo-effect. Uw dochter zal er zo’n twee jaar zoet mee zijn om af te vallen en al die tijd heeft ze begeleiding en controle nodig. Dat kost geld. Bied uw dochter aan de begeleidingskosten te betalen – daar zou uw bijdrage uit kunnen bestaan. De verzekering vergoedt dat niet, in ieder geval niet lang genoeg.

Zeg tegen uw dochter dat u het belangrijker vindt dat zij op een normaal gewicht komt dan dat ze een tweede studie doet. Een normaal gewicht is een betere investering in haar toekomst, geeft haar betere kansen op wat voor gebied dan ook dan een tweede studie.

Uw dochter zal waarschijnlijk nooit meer van haar leven normaal kunnen eten, dat wil zeggen: op een gedachteloze manier van alles eten wat ze lekker vindt, zoals ze dat nu doet. Dat is een groot verlies, in de orde van grootte van een oog missen of aan een oor doof zijn. Het is een ingrijpende omschakeling om te moeten leren leven met een beperking (in dit geval: niet alles kunnen eten wat je wil). Vandaar ook de noodzaak van langdurige professionele begeleiding om te werken aan het kweken van nieuwe eetroutines.

 

Beste Beatrijs,

Ik ben een studente van 23 en woon niet meer thuis. Ik kom wel regelmatig thuis eten, gewoon voor de gezelligheid. Wat mij stoort is dat mijn ouders vaak opmerkingen maken over mijn gewicht. Inderdaad ben ik niet de slankste: ik ben al sinds mijn zestiende iets aan de zware kant, op het randje van overgewicht, maar ik vind dat ik inmiddels volwassen genoeg ben om daar zelf mee om te gaan. Bijna elke keer zegt mijn moeder iets in de trant van: ‘Je moet niet nog meer aankomen,’ of: ‘Je moet wel een beetje afvallen.’ Mijn vader uit zich door mij te verbieden een koekje bij te thee te nemen (en hij neemt er zelf natuurlijk wel een!) en heeft mij een aantal keer bij het ontbijt geen gebakken ei gegeven met de opmerking: ‘Jij krijgt niet, want jij bent te dik.’
Ze hebben natuurlijk gelijk, maar ze vertellen me niets nieuws: ik weet best dat ik beter iets kan afvallen, maar zo erg is het nou ook weer niet. Ik ben een goede student, ben op alle andere fronten sociaal, verantwoordelijk en volwassen, maar deze opmerkingen doen mij gewoon pijn. Hoe laat ik merken dat ik hier niet van gediend ben zonder dat ik mijn ouders beledig voor hun betrokkenheid of kleinzielig overkom?

Te dikke dochter

Beste Te dikke dochter,

Overgewicht is een probleem dat zich niet of nauwelijks door anderen laat aansturen.

Aan deze interventies van uw ouders moet een eind komen, want dit is geen doen. U bent volwassen, ruim en breed het huis uit, de opvoedingstaak van uw ouders ligt achter hen. Opmerkingen over uw lichaamsgewicht, hoe goedbedoeld ook, helpen niet, ze geven alleen een pijnlijk gevoel en wakkeren de schaamte aan.

Voer een serieus gesprek met uw ouders en breng deze punten onder hun aandacht. Vertel ze dat u zelf verantwoordelijk bent voor uw gewicht, dat u er al genoeg mee worstelt, en vraag hen vriendelijk doch zeer dringend of ze voortaan elke opmerking, elke gedachte, elke waarschuwing, elke goedbedoelde dieet-tip willen inslikken en het er gewoon niet meer over willen hebben met u. Omdat u het vervelend vindt. Omdat u het pijnlijk vindt. Omdat u alles wat ze zeggen zelf ook wel kan bedenken. Omdat u niet naar huis komt om door hen door de mangel te worden gehaald. Vraag hun om u met hetzelfde respect te behandelen als ze met elk willekeurig persoon-met-overgewicht zouden doen. Het zou niet bij hen opkomen om hun te dikke, goede vrienden of de te dikke, sympathieke buurvrouw een koekje bij de thee te onthouden – voor hun eigen bestwil.

Neem intussen daadwerkelijk uw verantwoordelijkheid en bezoek eens een diëtist voor concrete adviezen over verandering van leefstijl. Hoe ouder u wordt, hoe moeilijker het is routines om te gooien.

 

Waarom zijn de antwoorden tegengesteld op nauw verwante vragen?

Overgewicht is een probleem dat zich niet of nauwelijks door anderen laat aansturen. Familieleden en goede vrienden/innen staan machteloos, omdat preken niet helpt en alleen maar de sfeer bederft. De enige die er wat aan kan doen is de te dikke persoon zelf. Die moet gemotiveerd zijn om maatregelen te nemen, al dan niet met hulp van een professional. Bij minderjarige kinderen moeten ouders wél ingrijpen. Omdat het meisje van de eerste vraag nog zo jong is en de gewichtstoename zo snel ging, raad ik de ouders aan om wél actie te ondernemen: eerst een eventuele medische oorzaak uit te sluiten, en later de kosten van professionele begeleiding op zich te nemen. De mogelijkheid bestaat dat het meisje het aanbod afwijst. In dat geval rest ouders niets anders dan ophouden met interventies plegen (zie de tweede vraag).

Artikelen in Ouders en volwassen kinderen.

Gelabeld met , .