Spring naar inhoud


Wekelijks ‘Moderne manieren’ in uw inbox ontvangen? Abonneer u nu op de Nieuwsbrief!

De adviesrubriek ‘Moderne manieren’ gaat over etiquette en verschijnt iedere zaterdag in het dagblad Trouw (bijlage ‘tijd’), maar ook direct op Internet: zie Beatrijs in Trouw. Lees daar haar nieuwste bijdrage. Daarna komen alle problemen op deze website terecht.

Hebt u zelf een vraag over (in)correct gedrag van uzelf of anderen, dan kunt u die insturen via beste@beatrijs.com. U krijgt vrijwel altijd persoonlijk antwoord, en uw vraag kan gebruikt worden voor anonieme publicatie in het dagblad Trouw en op deze website, tenzij u er expliciet bezwaar tegen maakt.

Ook te volgen op Twitter! @BeatrijsRitsema

Artikelen in Etiquette.


Compenseren voor de meritocratie

Iedereen omarmt de meritocratie. Vergeleken met de vroegere klassenmaatschappij, waarin afkomst bepalend was voor iemands latere plaats in de maatschappij, biedt het meritocratisch ideaal ruimte voor individuele ontplooiing. Wie talent combineert met inzet kan tot grote hoogte stijgen en wie algemeen erkende prestaties levert kan rekenen op status en een bovengemiddelde financiële beloning. De bonus bestaat uit het ontbreken van rancune. Niemand misgunt het een kaakchirurg of een topartiest om er warmpjes bij te zitten. Waar de klassen- of standenmaatschappij vooral statisch was, heerst in de meritocratie dynamiek met kansen voor iedereen.

De crux van de meritocratie (en daarom is iedereen er altijd zo enthousiast over) is sociale mobiliteit, jezelf ontworstelen aan je milieu en daar bovenuit stijgen. Een opwaartse beweging zou in theorie gecompenseerd moeten worden door een beweging elders in neerwaartse richting. Niet iedereen kan aan de top verblijven. Zoals in een lavalamp het gestolde vet door verwarming vloeibaar wordt en in bolletjes opstijgt, daalt het uiteindelijk toch weer naar beneden. Als kinderen uit lagere milieus de kans krijgen om hun tot dusver verborgen talent te ontwikkelen en sociaal te stijgen, zouden kinderen met weinig talent uit hogere milieus naar beneden moeten kukelen. Maar zo dynamisch gaat het er nu ook weer niet aan toe.

Wie eenmaal bovenaan zit (of aan de goede kant van de kloof) doet er alles aan om ervoor te zorgen dat zijn nageslacht niet afzakt op de sociale ladder. En omdat aangeboren talenten en intelligentie niet de enige factoren zijn die later succes bepalen, krijgt het ouderlijk milieu en het soort opvoeding des te meer invloed, naarmate de voorheen verborgen talenten meer kansen krijgen in het onderwijs. Dit is de paradox van de meritocratie: wanneer elk aangeboren talent is opgespoord in een open speelveld met gelijke kansen, wordt het milieu doorslaggevend, waarin hoogopgeleide ouders beschikken over geld voor bijles, sociale netwerken en allerhande culturele bagage om aan hun kinderen door te geven. Het dynamische wordt statisch en onverhoopt maakt de aloude klassenmaatschappij haar rentree. De verliezers blijven onderaan hangen en hebben dit aan zichzelf te wijten, want onvoldoende talent en onvoldoende ouderlijke inzet.

In een interview in de Volkskrant zei hoogleraar Paul de Beer, die een bundel over deze materie samenstelde, dat verschil in opvoedingspatronen mogelijk belangrijker was voor uiteindelijk succes dan inkomensverschillen. Een staatsopvoeding met internaten zou een radicale oplossing zijn om het verschil in opvoeding te neutraliseren, maar het zou absurd zijn om hoger opgeleiden de voet dwars te zetten in het ondersteunen van hun kinderen. Niemand wil kinderen en ouders van elkaar losweken, dus De Beer meent dat de overheid een taak heeft om kinderen van laagopgeleide ouders de extra hulp en compensatie te bieden, die kinderen van hoogopgeleide ouders automatisch krijgen.

In de schoolbanken hangen zet een soort osmose in gang.

In dit licht geeft het D66-wetsvoorstel over vermindering van lesuren voor leraren te denken. Nederlandse leraren hebben veel contacturen en een hoge werkdruk. Met meer lesvoorbereidingstijd zou het leraarsvak minder slopend zijn en het onderwijs efficiënter ingericht kunnen worden. Op dit moment brengen kinderen relatief veel tijd op school door. In andere landen hebben kinderen minder aanwezigheidsplicht (en meer huiswerk). Volgens de OESO-rapporten scoren Nederlandse kinderen goed op de internationale ranglijsten, juist ook de groepen-met-achterstanden, hoewel ze school ‘niet leuk’ vinden, niet gemotiveerd zijn en er in de klas een ongedisciplineerde sfeer heerst.

Misschien staan die twee kenmerken, veel contacturen en betrekkelijk hoge prestaties, wel op een ondoorgrondelijke manier met elkaar in verband: dat kinderen door alleen maar op school rond te hangen automatisch iets opsteken, ook al interesseert het ze niet en is het een bende in de klas. Huiswerk maken vereist zelfdiscipline. In de schoolbanken hangen zet een soort osmose in gang. Aanwezigheidsplicht lijkt iets om te koesteren.

Artikelen in Column.


Kleinkinderen subsidiëren

Beste Beatrijs,

Ik ben opa (66) van vier kleinkinderen. Sinds hun geboorte zijn wij als opa en oma regelmatig als oppas bij hun wel en wee betrokken. Dat doen we met veel plezier. We denken erover om een som geld die wij (waarschijnlijk) niet zelf nodig zullen hebben via een lijfrente-constructie voor hen opzij te zetten. Het plan is om elk kleinkind als het 18 jaar wordt, een bedrag van enkele duizenden euro’s te schenken voor studiedoeleinden. Nu het overheidsbeleid het studeren voor jongeren er financieel niet makkelijker op maakt, wil ik helpen voorkomen dat de kleinkinderen studieschulden oplopen. Ik heb me wel afgevraagd of het verstandig is om kinderen op hun 18de een groot bedrag te geven. Zij zijn dan formeel volwassen en kunnen ook bezwijken voor de verleiding het geld aan andere (lees: luxe) zaken te besteden dan waarvoor ik het bedoeld heb. Ook vraag ik me af of dit geschenk wel pedagogisch verantwoord is. Is het voor hun eigen ontwikkeling niet beter zelf hun geld te verdienen? Hoe denkt u hierover?

Spaarpotje aanleggen?

Beste Spaarpotje aanleggen,

Het hangt van de omstandigheden af. U schrijft het geld (waarschijnlijk) niet nodig te hebben. Dus misschien toch wél. Waarom zou u het weggeven, als u of uw vrouw later mogelijk problemen krijgen met de zorg en u het goed zou kunnen gebruiken? Als u het geld niet nodig blijkt te hebben, gaat het bij uw overlijden toch naar de erfgenamen. U kunt zelfs een apart legaat voor de kleinkinderen laten vastleggen in uw testament. Er is in ieder geval geen haast om er nu al afstand van te doen.

Als ouders kunnen betalen voor hun kinderen, hoeven grootouders dat niet te doen.

Als u uw schenking nadrukkelijk wil bestemmen voor opleidingsdoeleinden, kunt u de kleinkinderen dat gewoon mededelen. In dat geval is het handig om niet het hele bedrag ineens uit te keren, maar te verdelen over de jaren dat de opleiding duurt. Maar hieraan vooraf gaat de vraag: kunnen de ouders de opleiding van hun kinderen niet betalen? Als ouders daartoe financieel in staat zijn, is dat hun taak (en niet van de grootouders). Ouders doen doorgaans ook hun best om hun kinderen studieschulden te besparen. Dus als zij betalen, hoeft u het niet te doen. Als u bovenop de ouderlijke ondersteuning uw schenking doet, zullen de kleinkinderen dat geld inderdaad besteden aan reizen, auto’s en andere consumptieve uitgaven.

U vraagt naar de pedagogische voordelen van kinderen zelf hun geld te laten verdienen. Niet als zij bezig zijn met een full time opleiding, lijkt me. Ouders betalen de studie, kinderen lenen bij of, als ouders geen geld hebben, lenen alles. Bijbaantjes zijn alleen voor de consumptieve extra’s – daar kunnen ze geen studie van bekostigen.

Samengevat: alleen als de ouders geen cent te makken hebben, lijkt het zinvol om de opleiding van de kleinkinderen te betalen. In dat geval is er weinig gevaar dat ze met het geld naar het casino gaan of op wereldreis, want ze weten natuurlijk dat een opleiding duur is en studieschulden vervelend. Als er geld genoeg omgaat in de huishoudens van uw kinderen, kunt u uw schenking aan de kleinkinderen beter uitstellen tot de erfenis.

Artikelen in Grootouders en kleinkinderen.

Gelabeld met , , .


Drugs als breekpunt

Beste Beatrijs,

Ik heb een probleem met mijn vriend. Als hij uitgaat met zijn vriendengroep, is er altijd wel iemand die drugs (coke of pillen) tevoorschijn haalt. Dat wordt dan vrijwel standaard geconsumeerd als onderdeel van het uitgaan in het weekend. Als vriendin zie ik de schade die dit drugsgebruik aanricht bij mijn vriend. Ik ben ook bang dat hij verslaafd raakt. Tegelijk heb ik zelf ook moeite om nee te zeggen, als ik er bij ben. Ik durf niet tegen de dynamiek van al die jongens in te gaan – die bovendien op de cruciale momenten toch altijd al beschonken zijn.

Vriend gebruikt drugs

Beste Vriend gebruikt drugs,

Neem afstand van deze vriendengroep. Als drugsgebruik niet bij uw favoriete vrijetijdsbesteding hoort, moet u daar vooral niet aan meedoen. U zult toch wel andere vrienden en vriendinnen hebben die leukere, dan wel minder schadelijke dingen doen in het weekend? Het probleem zit natuurlijk bij uw vriend. Voer eens een gesprek met hem over zijn drugsgebruik en wat hij er zelf eigenlijk van denkt. Misschien vindt hij het geen probleem en vindt hij dat u zeurt. Maar misschien heeft hij zelf ook z’n twijfels en als hij open staat voor uw bedenkingen, kunt u proberen om hem los te weken uit zijn vriendenclub door andere activiteiten met andere mensen voor te stellen in het weekend. Als dat niet lukt of als hij zijn vrienden te belangrijk vindt om op te geven, zal zijn drugsgebruik op den duur tot verwijdering in uw relatie leiden. Dan kunt u hem beter dumpen. Niet erg. Een relatie van een drugsliefhebber en een drugshater is geen geslaagde combi.

Artikelen in Verslavingen, Vrienden en kennissen.

Gelabeld met .


Ik wil mijn zwager niet kwijt

Beste Beatrijs,

Mijn zus en zwager zijn bijna dertig jaar getrouwd. Sinds een paar maanden woont mijn zus ergens anders, omdat volgens haar hun relatie al jaren niets voorstelde. Mijn zwager doet erg zijn best om haar terug te winnen, maar vooralsnog zonder succes. Mijn probleem is dat ik geen partij wil kiezen. Op een etentje had ik hen beiden uitgenodigd. Mijn zus liet me naderhand weten dat dit voor haar zwaar was. Ik wil haar wel steunen, maar tegelijk wil ik mijn zwager niet buitensluiten. Hij wil graag met de familie blijven omgaan. Ik had altijd een goed contact met hem: biljartavondjes, we zitten in dezelfde fietsclub met sportieve fietsuitjes in de Ardennen. Gaat mijn zus voor, omdat zij mijn echte familie is? Moet ik aparte afspraken met hen maken? Of moet ik beiden welkom heten en hen het verder zelf laten uitzoeken?

Zus of zwager?

Beste Zus of zwager,

Als uw zus bij haar man weg is, is het een slecht idee om hen samen bij u thuis uit te nodigen. Het is uw taak niet om een verzoening te forceren. Dat zullen ze toch echt zelf moeten regelen. Ook al wil uw zwager graag bij de familie blijven horen, op dit moment heeft hij niets te zoeken bij familiegelegenheden en als u bijvoorbeeld een feestje of etentje met familie geeft, zou u prioriteit aan uw zus moeten geven en uw zwager erbuiten laten. Voor het overige deel kunt u prima de vriendschap met uw (ex)zwager in stand houden. U kunt met hem naar biljartavondjes gaan, op fietsexcursie in de Ardennen – allemaal gezellig en niets op tegen. Houd hem alleen bij uw zus uit de buurt en begeef u niet in de intimiteit van zijn echtscheidingsperikelen.

Artikelen in Huwelijk en scheiding, Schoonfamilie.

Gelabeld met .


Integratie van de ‘Dames’ en de ‘Heren’

Zouden we in Nederland ook wc-oorlogen krijgen? In de Amerikaanse staat North Carolina is een wet aangenomen die transgenders verbiedt om gebruik te maken van wc’s in de publieke ruimte die niet in overeenstemming zijn met de sekse die hun geboortecertificaat vermeldt. Afgezien van het handhavingsprobleem (wie posteert zich bij openbare wc’s om te controleren of bezoekers over het correcte geslachtsdeel beschikken?) heeft deze wet veel woede opgeroepen over discriminatie van het zogeheten LGBT-segment binnen de bevolking. Zelfs president Obama veroordeelde de wet. Het is onduidelijk waarom homo’s m/v en biseksuelen zich hierdoor gediscrimineerd zouden voelen – seksuele voorkeur heeft niets te maken met welke wc iemand frequenteert –, maar voor transgenders en mensen met ambigue geslachtskenmerken kunnen zich inderdaad problemen voordoen.

In Amerika bestaat een lange traditie van wc-oorlogen, te beginnen met strijd over gemeenschappelijke wc’s voor zwarten en blanken. Nog in de jaren vijftig verzetten blanken zich tegen raciaal gemengde wc’s uit angst om syfilis op te lopen via besmetting met de wc-bril, waar mogelijk eerst een zwarte op had gezeten. In de jaren zeventig vond een nieuwe uitbarsting plaats, toen de geharnaste anti-feministe Phyllis Schlafly campagne voerde tegen ERA (Equal Rights Amendment) door het publiek voor te houden dat aanvaarding van ERA zou betekenen dat mannen voortaan vrijelijk de vrouwenwc’s konden betreden, omdat uitsluiting van mannen discriminatie zou zijn. ERA ging helemaal niet over het afschaffen van naar sekse gesegregeerde openbare wc’s, maar het angstvisioen van hordes mannen die zich in het uitgaansleven toegang zouden verschaffen tot de ‘Dames’ om zich te vergrijpen aan weerloze vrouwen en meisjes hakte er zo in dat ERA in heel wat zuidelijke staten werd verworpen.

De genderneutrale wc kent iedereen vanuit de privacy van het eigen huis.

De recente wc-oorlog zet het punt van Schlafly via een omweg alsnog op de agenda. Wie tegen de Public Bathroom wet uit North Carolina is zegt eigenlijk dat mensen zelf moeten weten naar welke wc ze gaan. Het doet er niet toe hoe mensen eruit zien, wat er in hun paspoort staat over hun geslacht – doorslaggevend is hoe ze zich voelen, man of vrouw of iets er tussenin of geen van beiden. Als iedereen zelf kan bepalen welke wc ze betreden, is er de facto sprake van genderneutrale wc’s en moeten de m/v symbolen op de betreffende deuren worden afgeschaft.

De genderneutrale wc kent iedereen vanuit de privacy van het eigen huis, maar in het openbare leven komt die maar heel weinig voor. Uit de advocatenserie ‘Ally McBeal’ uit de jaren negentig herinner ik me een voor beide seksen toegankelijke toiletruimte op het kantoor, waar iedereen heel trots op was als politiek-correct teken dat er geen onderscheid werd gemaakt tussen mannen en vrouwen. Het Amsterdam University College (AUC) heeft onlangs genderneutrale wc’s geïnstalleerd om tegemoet te komen aan de behoeften van ‘non-binaire’ personen met een fluïde genderidentiteit. Om veel mensen gaat het niet, hooguit een op de duizend wil of laat zich niet committeren aan een van de twee geslachten. Het AUC heeft trouwens niet alle wc’s geneutraliseerd. Voor vrouwelijke studenten die graag naar de ‘Dames’ gaan en mannelijke die graag naar de ‘Heren’ gaan bestaat die keus ook nog steeds.

De voorkeur van de actuele seksen, die je binair dan wel cis-gender kunt noemen, zal de totaalneutralisering van publieke wc’s verhinderen. Mannen hechten aan urinoirs voor de snelle afwikkeling, vrouwen willen geen mannen in de buurt van hun intieme fysieke besognes. Invoering van genderneutrale hokjeswc’s betekent afschaffing van urinoirs, wat leidt tot meer gespetter, viezere wc’s en een zwaardere taak voor het schoonmaakpersoneel. Dat zal er niet van komen, maar waar moeten non-binaire personen dan naar toe om te pissen? Heel simpel. Iedereen die om wat voor dan reden ook moeite heeft met de nominaal voor hem/haar bestemde wc kan naar de gehandicapten-wc. Die moet toch al wettelijk aanwezig zijn, staat open voor iedereen en kent geen wachtrij.

Artikelen in Column.


Opa woont samen met…

Beste Beatrijs,

Mijn schoonmoeder was de liefste schoonmoeder en ook de liefste oma voor mijn kinderen. Drie jaar geleden is zij helaas overleden. Mijn schoonvader en ons gezin hebben elkaar door deze moeilijke tijd heen gesleept. Twee jaar geleden begon mijn schoonvader een nieuwe relatie met iemand die hij al dertig jaar kende. We waren blij voor hem dat hij opnieuw geluk vond. Al snel ging hij samenwonen in haar huis. De vriendin stelde voor dat de kinderen ‘oma Lies’ zouden zeggen. Ik zei toen dat niemand oma’s plek kan innemen. De kinderen zijn haar Lies gaan noemen. Dat vindt zij niet goed. Ze wil of ‘oma Lies’ of ‘tante Lies’. Mijn oudste zei toen: ‘Je bent mijn oma niet’. Hij heeft gelijk. Ze is niet de oma. Moeten de kinderen haar dan maar aanspreken met ‘mevrouw’?

Géén oma!

Beste Géén oma,

‘Oma Lies’ is een prima aanspreektitel, waar niets mis mee is. Er bestaat geen enkele kans op verwarring met ‘oma’ die helaas is overleden, want oma was ‘oma’ en nu is er iemand anders en die heet ‘oma Lies’. Deze vrouw deelt het leven van opa, ze wonen in hetzelfde huis, ze liggen in hetzelfde bed, ze zijn een stel. Het zou heel raar zijn, als uw kinderen ‘opa’ tegen de man van dit stel zeggen en ‘mevrouw’ of ‘tante Lies’ of ‘Lies’ tegen de vrouw. Zij is geen onbekende mevrouw en zij is ook zeker geen tante, omdat een tante van een jongere generatie is dan grootouders. Als de kleinkinderen hun opa ‘opa’ noemen en zijn wederhelft ‘tante Lies’ geeft dat hun relatie een incestueuze bijsmaak. Zij is te oud om familiair met de voornaam te worden aangesproken door jonge kinderen. Deze vrouw is de actuele levensgezel van opa en in die functie vanzelf een soort van oma. Form follows function.

Er bestaat geen alleenrecht op de aanspreektitel ‘oma’. Misschien heeft u zelf ook nog een moeder, misschien ook niet – hoe dit ook zij, kinderen hebben per definitie twee oma’s. Door overlijden krijgen ze te maken met opvolgoma’s, door scheidingen komen er zij-instroomoma’s op het toneel en het is heel gebruikelijk om de diverse oma’s van elkaar te onderscheiden door een voornaam achter de aanspreektitel te plakken. Zeg tegen uw kinderen dat ze niet moeilijk moeten doen en dat ‘oma Lies’ de beste manier is om de nieuwe vrouw van hun opa aan te duiden en aan te spreken. Als ze ‘oma Lies’ zeggen betekent dat niet dat ze hun lieve, overleden oma zijn vergeten. Dat was de enige echte ‘oma’ en dit is ‘oma Lies’.

Artikelen in Aanspreken en begroeten, Grootouders en kleinkinderen.

Gelabeld met .


Kinderen op het werk

Beste Beatrijs,

Sinds twee maanden heb ik een nieuwe baan. Ik heb een bureau in een tweepersoonskamer met een andere vrouw. Zij is een hele goede collega en ook fijn om mee te praten. Ze is alleenstaande moeder van een negenjarig zoontje dat zij twee keer per week om drie uur van school haalt en meebrengt naar het werk. Zij heeft niet genoeg geld voor buitenschoolse opvang. Op het werk laat zij haar zoontje via de computer en koptelefoon tv kijken, maar soms gaat zijzelf weg en laat mij alleen achter met hem, wat ik ongemakkelijk vind. Ik voel mij dan heel erg verantwoordelijk voor het kind en bovendien kan ik mij slechter op het werk focussen. Hoe kan ik dit onder woorden brengen bij haar?

Kind op werk

Beste Kind op werk,

Een kind routinematig naar kantoor meenemen gaat al vrij ver, maar een kind meenemen en dan het toezicht aan iemand anders overlaten kan echt niet. Bespreek dit met uw collega! Zeg haar dat u het niet prettig vindt dat zij haar zoontje bij u achterlaat, omdat u zich daardoor minder goed op uw werk kan concentreren en omdat u de verantwoordelijkheid niet wil. Misschien vindt u het lastig om dit gesprek te voeren, maar u kunt haar uitleggen dat u er liever met haar persoonlijk uitkomt dan dat u naar de baas loopt om het probleem aan de orde te stellen. De meeste mensen zouden de chef waarschuwen, die onmiddellijk paal en perk zou stellen aan de aanwezigheid van kinderen op het werk – uw collega mag blij zijn dat u dat nog niet gedaan hebt. Toon begrip voor uw collega, bespreek het probleem op een vriendelijke manier, maar dring er wel op aan dat ze een andere oplossing zoekt.

Artikelen in Collega's.

Gelabeld met .


Wie staat er in de rouwadvertentie?

Beste Beatrijs,

Mijn vader die vier jaar geleden op zijn 78ste overleed was de oudste van zes broers en zussen. Mijn moeder was al eerder overleden. Na zijn dood werd het contact met zijn tweede vrouw, met wie hij zes jaar getrouwd was, aan beide kanten opgelucht verbroken. Nu ligt er een broer van mijn vader op sterven. De vier overblijvende broers en zussen overwegen om, net als na het overlijden van mijn vader, een rouwadvertentie te plaatsen. Moet de weduwe van mijn vader daar dan ook bij? Niemand heeft daar zin in, aan de andere kant staat het raar om alleen mijn vaders naam te vermelden met een kruisje, terwijl hij getrouwd was. Wat schrijft de etiquette voor in zo’n geval?

Wie in rouwadvertentie?

Beste Wie in rouwadvertentie,

Als de broers en zussen overwegen om een aparte advertentie te plaatsen voor hun overleden broer, kan uw overleden vader in z’n eentje worden vermeld. Dus zonder zijn nog levende weduwe erbij. Uw vader wordt dan genoemd met een kruisje achter zijn naam en het jaartal van zijn dood. Dat is voldoende. Als er al een echtgenote bij gezet zou moeten worden, zou zijn eerste echtgenote eerder in aanmerking komen, want zij was de moeder van zijn kinderen en heeft een grotere rol binnen de familie gespeeld. De tweede echtgenote doet er in dit geval niet toe, omdat ze voor de overleden broer geen rol van betekenis heeft vervuld. Niet in het verleden en na de dood van uw vader helemaal niet meer.

In een overlijdensadvertentie van bijvoorbeeld een 70-plusser worden de namen vermeld van de directe nabestaanden in verticale lijn, al dan niet overleden. Dat zijn in de eerste plaats de echtgeno(o)t(e), kinderen, schoon- en kleinkinderen. Soms staan broers en zussen er ook bij. Als de broers en zussen besluiten tot een aparte advertentie, is die doorgaans kleiner en worden alleen de direct betrokkenen (broers, zussen en hun actuele echtgenoten) vermeld. De kinderen daarvan (uw generatie dus) plus hun eventuele kinderen worden samengevat onder de verzamelterm ‘neven en nichten’.

Artikelen in Dood en begrafenis.

Gelabeld met .


Dood is fout, wit is fout, man is fout

De Libris-prijs 2016 ging onlangs naar Connie Palmen voor haar alom geprezen boek Jij zegt het. In de afgelopen twintig jaar was dat pas de tweede keer dat een vrouw deze onderscheiding kreeg. Als je twintig keer achter elkaar een munt opgooit, is het onbestaanbaar dat je achttien keer kop en twee keer munt krijgt – zie je wel dat er nog steeds sprake is van systematische achterstelling van vrouwen in de literatuur, luidt de conclusie in feministische kringen. Jannah Loontjes die jarenlang in het bestuur zat van de Anna Bijns Stichting (ter bevordering van de vrouwelijke stem) stelde in een opiniestuk in de NRC vast dat de literatuur is achtergebleven in het masculiene tijdperk en wond zich op dat dit mannen niets kon schelen. Misschien komt dat gebrek aan enthousiasme voor de goede zaak wel door de historische analyse die Loontjes erop loslaat: ‘Eeuwenlang werden boeken vooral door en voor meneren geschreven, over zaken door mannen gedacht of gedaan.’

Alleen al de laatdunkende term ‘meneren’ laat doorschemeren dat de hele literatuurgeschiedenis niets van waarde heeft opgeleverd, voordat Anja Meulenbelt (geen benepen ‘mevrouw’, maar gewoon een vrouw) met De schaamte voorbij aan kwam zetten. ‘Meneren’ schreven boeken voor andere ‘meneren’ vanuit hun beperkte mannelijke blik over hun beperkte mannelijke daden als generaal, politicus of investeringsbankier. In het geciteerde zinnetje wordt al het venijn samengebald, waarmee in vooruitstrevende, letterenfaculteiten geprotesteerd wordt tegen de ‘canon van dode, witte, mannen’.

Dat de literaire canon grotendeels boeken van mannen bevat valt niet te ontkennen, al figureren er op die canon genoeg vrouwelijke literaire zwaargewichten (Jane Austen, George Eliot, de gezusters Brontë, Nora Zeale Hurston, Hadewych) voor jarenlang leesplezier. Het is de stupiditeit van de aantijging ‘door en voor mannen’ die zowel wanhopig als razend maakt. Schreef Couperus Eline Vere soms vanuit een mannelijk perspectief met een mannelijke doelgroep voor ogen? Net als tegenwoordig lazen in de 19de en 20ste eeuw relatief meer vrouwen romans dan mannen. Dat deden vrouwen niet om zichzelf te kwellen met dorre verhandelingen over politiek en economie.

Universaliteit, traditioneel het onderscheidende kenmerk van goede literatuur, is een verdacht begrip geworden.

Juist romanschrijvers zijn geïnteresseerd in psychologie, persoonlijke betrekkingen, de ontwikkeling van een individu, familieconflicten, wraak, tragiek, enfin zaken die door sommigen tot het vrouwelijke domein worden gerekend, maar die in werkelijkheid bij het universeel menselijke horen. De romans van Dickens, Theodor Fontane (Effi Briest), Tolstoi, Henry James of, in deze tijd, Jonathan Franzen en Jeffrey Eugenides gaan over de persoonlijke werdegang van zowel mannen als vrouwen, én ze spelen zich af in een wereld, waar nog meer aan de hand is dan alleen persoonlijke beslommeringen en waar vrouwen ook graag kennis van nemen. De schrijvers worden niet gewaardeerd omdat het briljante mannen zijn, maar omdat ze iets van universele waarde hebben mede te delen aan een universeel publiek.

Universaliteit, traditioneel het onderscheidende kenmerk van goede literatuur, is een verdacht begrip geworden om geen andere reden dan dat bijzondere boeken in het verleden vaak door ‘meneren’ zijn geschreven. In deze manier van denken gaat het niet meer om de kwaliteit of de inhoud van het boek, maar alleen om demografische kenmerken van de schrijver: dood is fout, wit is fout, man is fout. Nu ja, man is fout, zodra hij de hem toegemeten 50 procent van wat dan ook overschrijdt. Dit is het terrein van de ‘Lezeres des vaderlands’. Die houdt zich op haar blog bezig met incriminerende statistieken over ruimte in de boekenbijlages voor vrouwelijke en mannelijke schrijvers, tabellen van mannelijke en vrouwelijke recensenten die te veel of juist te weinig schrijven over dezelfde dan wel de andere sekse. Een volstrekt oninteressante boekhouding. Als ik een tabel wil bestuderen, kan ik wel een pdf van het CBS downloaden. Uit niets van dat blog blijkt dat die Lezeres des vaderlands zelf wel eens een boek leest.

Artikelen in Column.