Spring naar inhoud


Vriendje haalt kattenkwaad uit

Beste Beatrijs,

Mijn zoontje van acht heeft in de buurt slechts één vriendje, ‘Kees’, met wie hij buiten kan spelen, zonder dat er afspraken zijn gemaakt. Andere vriendjes wonen te ver weg. Het probleem is dat dit jongetje een uiterst onrustig ventje is, dat nauwelijks kan stilzitten en bij het spelen altijd acties onderneemt die wij niet goedkeuren: aan auto’s zitten, harde boomvruchten naar voorbijgangers gooien, bij mensen naar binnen loeren, enzovoort.

Mijn zoon laat zich eigenlijk een beetje meeslepen bij die acties. Een extra complicatie is dat de moeder van Kees mijn liefste vriendin is. Zij en haar man nemen het gedrag van hun kind absoluut niet zwaar op. Ik vind dat de jongens ‘gewoon’ moeten spelen, maar ik wil ook onze vriendschap niet op het spel zetten.

Hoe krijg ik Pietje Bell op het rechte pad?

Beste Hoe krijg ik,

Kees houdt van kattenkwaad en daarin staat hij als achtjarig jongetje niet alleen. Het is heerlijk om vrij buiten te spelen, maar veel activiteiten die op jongetjes een grote aantrekkingskracht uitoefenen hebben zo hun bezwaren. Spijtig voor de kinderen, maar dat moeten ze dan maar leren. Auto’s zijn heilige koeien, dus daar moeten ze van afblijven, op straffe van woedende eigenaars. Buurtbewoners beloeren en besluipen kan als onderdeel van een spel nog wel door de vingers worden gezien, al kan ook dit te ver gaan, maar voorbijgangers bekogelen kan natuurlijk niet. Dat moet u gewoon verbieden. We willen niet dat er gewonden vallen. Verbied de activiteiten die u over de schreef vindt gaan, waarbij de geschatte irritatiefactor voor de buurtgenoten de doorslag moet geven. Belletje trekken is erger dan met waterpistolen op geparkeerde auto’s spuiten. Niet mikken met water of objecten op bewegende doelen kan een grondregel zijn. Verhoog eventueel tijdelijk uw supervisie door af en toe te controleren wat ze uitspoken in de buurt. Overleg met uw vriendin van tevoren is niet nodig. Incidenten kunt u beter achteraf bespreken. Als Kees zegt: ‘Maar van mijn moeder mag het wel,’ dan zegt u: ‘Dat zullen we nog wel eens zien. Van mij mag het niet, en dus gebeurt het niet.’

Artikelen in Kinderopvoeding, Vrienden en kennissen.


‘Jodenman’

Beste Beatrijs,

Onlangs kreeg ik op mijn kop in een gezelschap, toen ik gezegd had: ‘… en dat was zelf een jodenman.’ Men vond dat beledigend. In mijn jeugd in Amsterdam, waar toen veel joden woonden, werd de gewraakte uitdrukking gewoon gevonden. Is er iets mis mee?

Ik ben geen antisemiet

Beste Ik ben geen,

De uitdrukking ‘jodenman’ kan inderdaad niet meer. Het woord doet denken aan ‘muzelman’, als in “Wij goede muzelmannen zijn. Wij op bedevaart naar het graf van de profeet” (De avonturen van Kuifje, Cokes in voorraad). Ook al bedoelt u er niets kwaads mee, en ook al was dat in uw jeugd normaal spraakgebruik – na het drama van de jodenvervolging klinkt het een beetje raar, alsof u het over een lichtelijk suspect soort van mensen hebt (jodenman, pinda-Chinees, negervrouwtje). Joods zijn is overigens geen ras – het hele begrip ‘ras’ heeft een bedenkelijke lading gekregen – maar een godsdienst of een afstamming. In het mijnenveld van het moderne taalgebruik ligt de uitdrukking ‘jodenman’ gevaarlijk dicht in de buurt van ‘christenhond’. Wat u naar voren wilde brengen had u beter als volgt kunnen formuleren: ‘En hij was nota bene zelf joods.’

Artikelen in Taalgebruik.

Gelabeld met .


Brutale kleinzoon

Beste Beatrijs,

Afgelopen herfstvakantie logeerden onze twee kleinzoons (7 en 5 jaar) bij mijn man en mij. Wij wonen vrij ver van onze kleinkinderen en daarom vragen wij hen eens per half jaar een weekje te logeren. Dat geeft iedereen al jaren veel plezier.

De vijfjarige is altijd een kleine driftkikker geweest. Er hoeft hem maar het geringste verlangen ontzegd te worden of hij wordt woest. Ik kon daar altijd goed mee omgaan door rustig te blijven zonder aan zijn eisen toe te geven. Anderzijds is hij de meeste tijd heel aandoenlijk, ontwapenend, gewoon lief en aardig.

Wat deze keer echter volkomen nieuw om niet te zeggen verbijsterend voor mij was, was dat hij niet alleen snel woest werd maar ook begon te schelden. Hij gebruikte woorden als ‘rot-oma, stront-oma, mongool’ en als meest kwetsend ‘jij moet dood’. Als hij het niet eens was met wat ik zei, reageerde hij met ‘je liegt’ of als ik hem niet goed verstond met ‘oma, je bent megadoof’.

Mijn vermaningen hadden geen enkel effect op hem. Toen ik mijn dochter belde om te vragen hoe ik hiermee om moest gaan, zei ze dat ze er ook niet goed raad mee wist. Ze hoopte dat hij in een bepaalde periode zat die vanzelf weer overgaat. Soms straft ze hem door euro’s van zijn zakgeld af te trekken.

Hoe we verder ook genoten van de week met onze kleinkinderen, deze scheldpartijen gaven toch een domper. Zo zelfs dat ik mezelf afvraag of ik wel zin heb om voor mei weer plannen te maken. Hoe moet ik me hierin opstellen?

Oma van scheldende kleinzoon

Beste Oma van,

Dit probleem is te serieus voor grootouders om aan te pakken. De voorbeelden die u geeft van waar uw kleinzoon u voor uitmaakt zijn stuk voor stuk onacceptabel. Uw dochter hoopt dat het een voorbijgaande fase is. Ik vrees dat dat niet het geval is. Schelden en vloeken is bij uitstek een kwestie van gewoontevorming. Mensen houden niet ineens op met het uitschelden van hun omgeving, als ze jarenlang gewend zijn om dat wel te doen. Frustratie- en woede-opwekkende situaties blijven zich immers altijd voordoen, elke dag weer.

Zijn ouders zullen op een actieve manier moeite moeten gaan doen om dit gedrag eruit te krijgen bij hun zoontje. Dat betekent erbovenop zitten en niets laten passeren. Vijf jaar is oud genoeg voor een indringend gesprek. Uw dochter moet een lijstje maken van de door hem gebezigde uitdrukkingen en scheldwoorden. Dit lijstje gaat ze hem langzaam en rustig voorlezen, en de conclusie luidt dat dit dus voortaan afgelopen is. Zij wenst dat niet meer van hem te horen, niet thuis, niet buiten en al helemaal niet tegenover oma en opa.

Vervolgens komt het punt van de sancties. Dat is moeilijk, want die zijn er nauwelijks. Zakgeld inhouden heeft geen zin, want op deze leeftijd speelt dat geen rol van betekenis (zou het niet moeten, althans). Slaan is ook geen goed idee, want dat geeft het verkeerde voorbeeld en verhoogt de algehele woede. Blijft over: isolatie. Het kind weghalen uit de situatie en hem op z’n kamer zetten of in een andere ruimte weg van het gezelschap. Opsluiten kan. Hij kan in eenzaamheid een minuut of tien zitten tieren op z’n eigen kamer of de badkamer. Een variant hierop is om onmiddellijk op te houden met wat er gaande is, zodra hij de fout in gaat. Dus als hij zit te eten, hem met z’n bordje naar de keuken sturen. Als hij naar de tv kijkt, hem van die tv weghalen. Als het in een speeltuin gebeurt, meteen naar huis vertrekken.

Om te benadrukken hoe belangrijk dit is, kunnen zijn ouders hem voorhouden dat oma er op deze manier geen zin meer in heeft. Als hij zijn vocabulaire niet opschoont, dan wil zij hem niet meer te logeren hebben. Er is nog een half jaar te gaan tot mei, net een mooie periode om een en ander af te leren. De logeervakantie bij oma kan werken als een wenkende worst in de verte die uw kleinzoon, afhankelijk van zijn vorderingen op het gebied van goede verbale manieren, kan winnen of verliezen.

Wanneer u uw kleinzonen weer over de vloer krijgt, volgt u gewoon hetzelfde programma als hij hopelijk thuis heeft gekregen. Bij verbale misdragingen moet hij tijdelijk uit de gezelligheid naar elders in uw huis worden verbannen. Bij de derde keer gaat hij terug naar zijn ouders. Einde vakantie.

Dit is voor zijn ouders een vervelend en ongelooflijk arbeidsintensief opvoedtaakje, maar zonder tegenmaatregelen verdwijnt het schelden niet.

Artikelen in Grootouders en kleinkinderen, Kinderopvoeding, Taalgebruik.

Gelabeld met .


Vriend komt steeds niet op feest

Beste Beatrijs,

De laatste twee jaar heb ik drie keer een feest gegeven. Twee keer op mijn verjaardag en één keer tussendoor. Eén van mijn beste vrienden had alle drie de keren een reden om niet te komen. Dat vond en vind ik niet leuk. Ik zou hem dit ook willen duidelijk maken, maar hoe pak je dat aan? Hij zegt dat hij goede redenen had, maar voor mijn gevoel geeft hij gewoon geen prioriteit aan mijn verjaardag. Overigens kom ik altijd op zijn feesten, want ik vind dat het hoort en dat het ook gezellig kan zijn.

Gepasseerde jarige

Beste Gepasseerd,

Drie keer achter elkaar niet komen is erg veel, ook al heeft hij zich steeds verontschuldigd. U vraagt zich af hoe u dit aan hem duidelijk kan maken, maar dat lijkt me een overbodige exercitie. Uw vriend weet dat heus wel. Als u hém drie keer zou laten zitten met de borrelnootjes en de taart, zou hij dat ook niet leuk vinden. Er valt maar één ding uit af te leiden: hij hoort niet bij uw beste vrienden, want hij gedraagt zich niet zo. Aan u de keuze hoe hier verder mee om te gaan. Een lichte bekoeling van uw vriendschapsgevoelens lijkt voor de hand te liggen.

Artikelen in Festiviteiten, Verjaardag, Vrienden en kennissen.


Zadelpijn

Liza van Sambeek: Zadelpijn en ander damesleed. Prometheus. E 17.95

Een van de ontdekkingen van het jaren-zeventig-feminisme was dat je als vrouw ook heel goed met vrouwen kon omgaan. Deze fascinatie met de eigen sekse, waarbij het draaide om het uitwisselen van intimiteiten, stond betrekkelijk los van het emancipatiestreven naar gelijke kansen en kan beschouwd worden als een reactie op de seksuele revolutie van luttele jaren daarvoor. Dankzij de pil en de theorie van de vrije liefde waren de kansen op korte-termijn-geluk voor iedereen, nu ja voor de jongeren, flink toegenomen, maar soms leek het er toch op dat mannen – de 35-plussers onder hen lieten zich niet onbetuigd – meer voordeel ondervonden van die seksuele vrijheid dan vrouwen. Mannen hadden meer macht gekregen op seksueel gebied, omdat vrouwen hun klassieke troefkaart van selectieve seks waren kwijtgeraakt. Een door de pil beschermde vrije vrouw had geen goed excuus meer om seks te weigeren aan gegadigden. Zo vreemd is het dan niet dat er overal vrouwencafés verrezen, waar men zich zonder mannelijke afleiding met elkaar onderhield over het thema ‘het persoonlijke is politiek’. Eindelijk even rust aan de vrouwelijke kop!

De mode van de vrouwenpraatgroep is destijds volledig langs me heen gegaan. Dat kwam natuurlijk door het ongetwijfeld aan de mannelijke standaard ontleende vooroordeel dat ik erop nahield: zet een groep vrouwen bij elkaar en ze beginnen te kwekken over de onvolkomenheden van het eigen lichaam en te tobben over relaties. Mannen zitten te oreren in groepen en tegen elkaar op te bieden, zodat vrouwen zich extra moeten inspannen om aan bod te komen. Dit is soms lastig, maar het gaat bij hen in ieder geval over een onderwerp. Over het nut van milieu-educatie of over de taak van de schrijver, iets wat buiten henzelf en hun privébeslommeringen ligt. Het idee om privézaken in een groep te bespreken heeft mij nooit aangestaan – dan voer ik liever een privégesprek. Bij de mannen viel altijd genoeg te lachen, dus hebben mannelijke of gemengde gezelschappen nog steeds mijn voorkeur.

Het fenomeen vrouwenpraatgroep is allang weer ter ziele, maar vrouwen trekken nog steeds graag in groepen met elkaar op. Studentes gaan bij elkaar zitten in vrouwelijke jaarclubs of disputen en continueren de gezelligheid over tientallen jaren door middel van groepsbijeenkomsten, gemeenschappelijke tripjes en weekendjes. Als er eentje trouwt, houden ze vrijgezellinnen-avondjes van tevoren. Veel vrouwen weten zich onvoorwaardelijk gesteund door hun vriendinnenclubs, waaraan ze vaak meer zekerheid en intimiteit ontlenen dan aan de mannelijke passanten in hun leven. Je ziet en hoort er genoeg over, toch blijft deze groepsgewijze voorkeur voor je eigen sekse voor mij iets raadselachtigs hebben, waar ik me niet goed in kan verplaatsen (zoals ik ook mijn bedenkingen heb over clubs die louter uit mannen bestaan). Ik vind het nu eenmaal leuker als er mannen bij zijn. Spannender, interessanter, onvoorspelbaarder, waarmee ik niet alleen het flirtaspect bedoel maar ook de mannelijke inbreng over het buitenpersoonlijke, de wereld waarin we leven, soms zelfs het puur abstracte.

Het boek Zadelpijn en ander damesleed gaat over een clubje van zeven vriendinnen, allen omstreeks de 50 jaar, die met elkaar een weekje gaan fietsen in Frankrijk, zoals ze dat elk jaar doen. Ze noemen zichzelf met een ondeugende knipoog ‘Les Tîtes Sancerre’ en het boek bevestigt al mijn vooroordelen tegen exclusief damesgezelschap. Wat een onnozelheid, wat een onbeschaamd leeglopen over privé-aangelegenheden, wat een ordinair geklets. De dames, opgegroeid in de wilde jaren zestig, hebben carrières of gezinnen of een combinatie daarvan. Sommigen zijn gescheiden of dreigen dat te worden, anderen zijn kinderloos, eentje is weduwe, eentje heeft er kanker en iedereen heeft problemen in de liefde, al dan niet van een overspelig karakter. Bij elkaar vormen ze een soort staalkaart van hedendaagse omstandigheden van 50-jarige vrouwen. Elk van de zeven hoofdstukken behandelt een fietsdag (routekaart is bijgevoegd) vanuit het gezichtspunt van telkens een andere vrouw. Dit verspringende perspectief van ieder hoofdstuk een nieuwe hoofdpersoon draagt bij aan het staalkaartkarakter. Geen moment had ik het idee dat ik een roman aan het lezen was, waarin zich iets ontvouwt of ontwikkelt. Het is meer een opsomming van gebeurtenissen, problemen, levensgeschiedenissen, anecdotes, via een absurde plot losjes aan elkaar geregen door personages die anticellulitiscrème smeren en het leven doornemen aan de hand van de damesbladformule, soms ook mét de opvoedende strekking die deze periodieken graag aanbrengen in hun artikelen.

Men bespreekt bijvoorbeeld het onderwerp ‘pijnlijke schaamlippen’ als gevolg van verkeerde zadelzit, waarbij de huisarts Nina kans ziet een klein college te geven over de verschillen tussen kleine en grote schaamlippen. De kleine zijn vaak groter dan de grote en eigenlijk hadden ze beter ‘binnenste en buitenste’ kunnen heten, doceert ze. Nou, met dit gezichtspunt kan de groep – en niet te vergeten de lezer – vast zijn voordeel doen.

Liefde en seks zijn de thema’s waarmee deze vriendinnengroep zichzelf pratenderwijs aaneen smeedt. Over liefde lees ik graag, maar de liefde die deze dames zoal meemaken is ofwel larmoyant ofwel triviaal. Komt ook door de schrijfstijl. Zo spreekt in een flash back een (ontrouwe) man zijn vrouw toe: ‘Wat ik met jou heb is liefde, is eeuwigheid, is onvoorwaardelijkheid. Begrijp dat nu eens.’ Een vrouw over haar geheime minnaar: ‘Hij kan ook ongelooflijk goed masseren. Voor ik naar die laatste CAO-onderhandelingen moest, kwam hij snel langs op mijn hotelkamer en masseerde mijn voeten. Dan kan ik de hele wereld aan, hij voelt exact waar mijn spierspanning zit.’ Een andere minnaar, zoals herinnerd door een andere vrouw, zegt: ‘Ik laat je nooit los, jij bent mijn vrouw, mijn muze, mijn eiland, mijn droomkoningin. Zonder jou leef ik maar half. Bij jou vind ik mezelf en de liefde die in me zit. Je bent mijn adem, mijn stroom, mijn verlangen, mijn jeugd. Je bent het zaad van mijn energie.’ Als ik een minnaar had die dergelijke teksten uitkraamde, zou ik hem subiet de deur wijzen.

Over seks zijn de dames evenmin op dreef. Wanneer iemand het onderwerp ‘pijpen’ aansnijdt aan de dinertafel, brandt de rest ongegeneerd los met persoonlijke ervaringen. Doorslikken zien ze niks in en ze zijn het gloeiend eens dat de heren hun lid moeten wassen, voordat de dames aan de slag gaan. Maar aan die broodnodige hygiëne wil het nog wel eens ontbreken!

Gemeut en gebep, ik moet er niet aan denken dat een week lang aan te moeten horen. Dit boek zal waarschijnlijk wel herkenbaar zijn voor de doelgroep, maar ik vind het klef. En ik denk nog steeds dat de conversatie in gemengde gezelschappen interessanter, grappiger en gezelliger is dan in de per sekse gesegregeerde. Waar mannen en vrouwen samen in een groep zitten, haalt de man het beste uit de vrouw en vice versa.

Beatrijs Ritsema

Artikelen in NRC-boekrecensies.


Irritante collectanten

Beste Beatrijs,

Wij wonen in een nieuwbouwwijk; gemiddeld zeker iedere 14 dagen komt er een collectant langs voor een goed doel. Natuurlijk altijd net op het moment dat ik mijn kind een schone luier geef, aan het voeden ben of als hij slaapt. Kortom altijd als het niet goed uitkomt. Nu zouden we graag op een beleefde manier duidelijk willen maken dat we aan de deur niet geven (en wel geld overmaken naar een aantal goede doelen). Hoe kunnen we dit doen?

Belaagd door irritante collectanten

Beste Belaagd,

U wilt geen geld geven aan huis-aan-huis-collectes en dat is uw goed recht. U zoekt uw goede doelen liever zelf uit en maakt dan een overschrijving met een bedrag waar u van tevoren over hebt nagedacht. Dat is een prima vorm van liefdadigheid, waar u niet van hoeft af te wijken omdat er toevallig iemand met een collectebus bij u aanbelt.

Het enige wat u tegen de collectant moet zeggen is: ‘Nee, dankuwel, ik heb geen belangstelling.’ U zegt dit op een vriendelijke, besliste toon, zonder blijk te geven van ergernis, en tegelijk maakt u aanstalten om de deur weer te sluiten. Als men nog blijft dralen of iets probeert tegen te werpen, herhaalt u gewoon dit zinnetje en voegt er eventueel aan toe: ‘Nog veel succes verder’ of ‘Nog een prettige dag’.

U zou aan de collectant duidelijk willen maken dat u heus wel aan andere goede doelen geeft, maar dat is nergens voor nodig. Collectanten weten van tevoren dat niet iedereen bij wie ze aanbellen, de portemonnee tevoorschijn haalt. Daar zijn ze op ingesteld. Het kan hun niets schelen of de weigeraar er andere prioriteiten op nahoudt. U hoeft zich geen zorgen te maken over wat de collectant van u als mens denkt. U bent hem/haar geen verantwoording schuldig. Het enige waartegen u verantwoording hoeft af te leggen over de vraag of u uw rijkdom wel genoeg deelt met minderbedeelden is uw eigen geweten.

Artikelen in Het publieke domein.

Gelabeld met , .


Kinderen kletsen op begrafenis

Beste Beatrijs,

Deze maand woonde ik een dienst bij in de aula van het crematorium. Mooie muziek, een indrukwekkende toespraak van een pastoor, iedereen onder de indruk.

Maar… daar doorheen een kinderstem, duidelijk hoorbaar in de hele aula. Vermoedelijk een drie- à vierjarige, met zo nu en dan een babbel.

Wat is zoiets hinderlijk. De moeder moet haar kind thuislaten, en als ze geen oppas kan krijgen moet ze het bij een schriftelijke condoléance houden. Althans dat is mijn mening. Nu ben ik heel benieuwd naar de uwe! De opvatting van de moderne tijd dat ‘alles moet kunnen’ strookt niet met mijn 80-plus leeftijd.

Geërgerd in het crematorium

Beste Geërgerd,

Tegenwoordig worden kinderen, ook heel jonge, veel meer betrokken bij het overlijden van dierbaren dan vroeger. Veel huidige veertig-plussers die als jong kind een van hun ouders verloren (of een dichtbije grootouder) dragen nog steeds wrok met zich mee, omdat ze overal buiten werden gehouden. Alles wat met de dood te maken had werd minder geschikt geacht voor de kinderziel. Dat gaat nu wel anders en je ziet dus ook veel vaker kinderen bij begrafenis- en crematie-plechtigheden. Ten opzichte van de gewoonte van vroeger vind ik dat een grote vooruitgang. Kinderen onder de vijf vormen een speciale categorie, omdat ze lastig stil te krijgen zijn. Baby’s en peuters moeten thuisblijven, maar drie- en vierjarigen worden toch wel vaak meegenomen als de overledene tot hun directe familie behoort (vader, moeder, broer, zuster). Als het een oma of opa betreft hangt het er maar net van af. Misschien was de overleden grootouder wel heel intensief betrokken bij het dagelijks leven van het jonge kleinkind. In zo’n geval is zijn of haar aanwezigheid ondanks het gekwetter toch zinvol en in ieder geval geen kwestie van ‘geen oppas kunnen vinden’. Overweeg deze mogelijkheid voordat u de situatie veroordeelt. In het algemeen ben ik het trouwens wel met u eens dat kleine kinderen niet thuishoren op begrafenissen/crematies van mensen met wie ze geen hechte persoonlijke band onderhielden.

Artikelen in Dood en begrafenis, Kinderopvoeding.

Gelabeld met .


Man schrijft brieven

Beste Beatrijs,

Mijn man (45) heeft deels een eigen kennissen- en vriendenkring en hij heeft ook veel hobby’s, zeg maar bevliegingen – nu eens saxofoon spelen, dan weer golfen, maar altijd met overgave. Hij is nooit tevreden met zijn werk, wil altijd weer wat anders. Jaren geleden heeft hij een keer ‘buiten de deur gevreeën’ en opgebiecht, maar dat – hebben we afgesproken – zal hij nooit meer doen. Nu heeft hij onlangs een vrouw op een feestje ontmoet (zij is ook getrouwd), met wie hij brieven is gaan schrijven. Ze vinden allebei schrijven leuk om te doen, weer heel anders dan e-mail. Ik weet niet precies wat ik hiervan moet denken. Enerzijds heb ik het idee dat ik hem moet vertrouwen. Anderzijds bevalt het me toch niet. Hoe kan ik hier het beste mee omgaan?

Mijn man schrijft brieven

Beste Mijn man schrijft,

U vindt dat corresponderen van uw man met een u onbekende dame niet prettig. Dat kan ik me goed voorstellen. Vooropgesteld dit: er is niets zo leuk als een mooie brief schrijven of het moet zijn om er eentje te krijgen. Tegelijk is het een bezigheid die op uitsterven staat. Wat vijftig jaar geleden nog de normaalste zaak van de wereld was, je contacten onderhouden door middel van brieven, komt sinds de opkomst van de telefoon, en meer nog de e-mail, bijna niet meer voor. Het geldt nu als een bijzondere en edele tijdpassering. Als uw echtgenoot zich ineens in deze nieuwe bezigheid stort, moet u als vrouw wel van ijzer zijn om geen argwaan te koesteren, te meer daar zijn correspondente niet een oude bekende is die door u nog wel vertrouwd had kunnen worden, maar een nieuw persoon in zijn leven. Het soort hobby, waar ze met hun tweeën een passie voor hebben opgevat, doet er eigenlijk niet toe. Het maakt niet uit of ze brieven schrijven of lange-afstand-wandelen – wat u stoort is de exclusiviteit van hun gedrag.

Misschien moet u terloops eens informeren waar het eigenlijk over gaat in die brieven, en vervolgens vragen of u er eentje mag lezen die zij geschreven heeft. Gewoon omdat u nieuwsgierig bent. Dat kan heel goed. Iemand die zonder zijn of haar partner een avondje uit is geweest, vertelt de ander ook na afloop hoe het was en wat er zoal aan de orde kwam. Als uw man weigert (briefgeheim! privé! stel je voor!), dan weet u wel hoe laat het is. Als hij er wel eentje laat lezen (liefst een zo recent mogelijke), kunt u zichzelf overtuigen hoe onschuldig/onnozel/of wel degelijk tussen de regels door gevaarlijk deze correspondentie is voor uw huwelijk.

Artikelen in Huwelijk en scheiding, Post.

Gelabeld met .


Deugden

Kees Schuyt vraagt zich af op de Opiniepagina (NRC, 1-11-03) of het begrip ‘deugden’ nog wel past in deze tijd, waarin iedereen het heeft over ‘waarden en normen’. Toch zit het verschil tussen ‘deugden’ en ‘waarden & normen’ hooguit in de gevoelswaarde. Het woord deugd heeft ontegenzeggelijk iets ouderwets, – je denkt al snel aan Hiëronymus van Alphen en zijn ‘Jantje zag eens pruimen hangen’ -, terwijl ‘waarden & normen’ bovenop de tijdgeest zit. Maar beide begrippen gaan over hetzelfde. Over wat goed en slecht is, wat bewonderenswaardig is en wat verderfelijk, en vooral hoe te handelen. De vraag of Jantje ondanks het verbod van zijn vader nu moet toeslaan met die aanlokkelijke pruimen of niet, is nog steeds actueel. Het enige wat je hoeft te doen is pruimen te vervangen door glimmende, dure sneakers die zomaar voor het grijpen liggen. Eerlijkheid is zowel een deugd als een waarde.

Een deugd lijkt iets meer aan de persoon gebonden te zijn dan een waarde. Soms is het meer een karaktereigenschap dan iets algemeens waar iedereen naar zou kunnen streven. Dat persoonsgebondene is absoluut een zwakke plek in de deugdenleer. Schuyt geeft een opsomming van liefst dertien praktische deugden die iedereen zou kunnen beoefenen, maar dertien is natuurlijk veel te veel om als richtsnoer te kunnen dienen en bovendien zitten er elementen tussen, die heel veel mensen met geen mogelijkheid zich eigen kunnen maken, al doen ze nog zo hun best. Vindingrijkheid bijvoorbeeld of creativiteit of humor. Het is fantastisch als mensen over deze eigenschappen beschikken, maar als je het niet bent zul je het nooit worden. Veel mensen beschikken niet over bijzondere talenten, en het zou raar zijn als de slimmen onder ons of de handigen of de muzikalen (of de schoonheden for that matter) beter geëquipeerd zouden zijn voor een deugdzaam leven dan de talentlozen. De jaren-zestig-oplossing om iedereen dan maar creatief te noemen of intelligentie zo breed te definiëren dat ook goed hardlopen eronder valt is een laffe manier om verschillen tussen mensen onder een dikke zwachtel weg te werken.

Een deugdenleer zou niet als een kerstboom volgehangen moeten worden met al het positieve wat je zoal kunt verzinnen, maar zou moeten bestaan uit idealen die binnen het bereik van iedereen liggen. Of je nu slim of dom bent, rijk of arm, jong of oud, machtig of zwak zou er niets mee te maken mogen hebben. In al deze categorieën kunnen mensen zich meer of minder deugdzaam gedragen. Schuyt maakt een onderscheid tussen de grote overkoepelende deugdenethiek en

de kleine, alledaagse deugden met praktische toepasbaarheid. De ethica tegenover de etiquette, zou je kunnen zeggen. Volgens hem ontbreekt het aan gunstige maatschappelijke condities om de grote deugden een plaats te geven, om ze na te streven, om ze over te dragen. Het is een theorie die je wel vaker hoort. Deze post-moderne geseculariseerde cultuur ontbeert grote verhalen, die mensen zouden kunnen inspireren tot ‘het hogere’. Omdat niemand meer gelooft in iets wat zijn eigen hedonisme overstijgt, hebben de grote deugden en het begrip deugdzaamheid hun relevantie verloren. En de alledaagse deugden, de etiquette, dreigen door het gebrek aan steun vanuit de cultuur te atrofiëren. Wat neemt de opengevallen plaats in? Ondeugden natuurlijk. Volgens Schuyt ‘kijken we op de sofa naar sadististisch geweld, naar leugens en vernederingen van mensen, met een biertje in de hand en onze vriend(in) op schoot.’

Deze manier om tegen de westerse cultuur aan te kijken zit wel heel vol met zelfhaat en zelfverachting. De wereld gaat naar de ratsmodee, en dat is onze schuld omdat we er geen grote verhalen, geen grote religies meer op nahouden. Het pijnlijke van dit soort cultuurpessimisme is dat het nauw verholen klassenhaat is. De intellectuelen die zich ergeren aan de porno op tv, aan de dronken vakantiegangers op de Spaanse stranden met hun ordinaire seks, aan de brallende voetbalsupporters, het schransende publiek in de winkelcentra en aan de uitzinnige door drugs voortgestuwde massa op de dance-feesten, walgen in werkelijkheid van de lagere klassen. Dit vertier vindt in intellectuele kringen weinig aftrek (de pornoconsumptie wellicht uitgezonderd) – hun hedonisme heeft, tja, meer statuur. Maar is het daardoor ook moreel superieur? Is het deugdzamer om naar een tragedie van Sophokles te kijken dan naar een videoclip van Christina Aguilar?

Als ik moest kiezen nam ik Sophokles, toch acht ik mezelf niet deugdzamer dan de gemiddelde MTV-kijker. De mensen die nog wel in een groot verhaal geloven, bijvoorbeeld in de gereformeerde leer der predestinatie of in de schepping van de wereld in zeven dagen acht ik ook niet deugdzamer dan mijzelf. Waar iemand wel of niet in gelooft, wat iemands favoriete vrijetijdsbesteding is, wat zijn of haar achtergrond is, staat geheel los van iemands deugdzaamheid. Dat geldt voor deze tijd, en het heeft altijd gegolden, maar vroeger wist men dit niet, of in ieder geval gedroeg men zich er niet naar. Als je toen niet in de heersende ideologie geloofde of als zich een andere godsdienst aan je openbaarde, werd je beschouwd als een moreel suspect individu en vaak tot de dood vervolgd. Slaven, de heffe des volks en vrouwen gingen door voor minder stabiel, minderwaardig en dus minder deugdzaam. Nu is iedereen vrij om binnen de wet zijn zelfverkozen hedonisme uit te leven zonder dat anderen die machtiger zijn dat kunnen bestraffen. Dit is een ongelooflijke vooruitgang, eentje waar geen enkele cultuur op kan bogen: dat de mensen elkaar met rust laten in hun voorkeuren en stijlkeuzes.

Ik denk niet dat deze vrijheid het moreel functioneren aantast. Hedonistische vrijheid of niet, wanneer mensen opgevoed worden met voorbeelden van nastrevenswaardige deugden (bijvoorbeeld eerlijkheid, hard werken, bekommernis om anderen, ik noem maar wat) dan zullen ze dat internaliseren. Ze zullen deugdzaam gedrag vertonen, omdat ouders, leraren, maar ook leeftijdgenoten van hen verwachten dat ze níet liegen en stelen, dat ze níet met de pet gooien naar hun taken, en dat ze anderen níet agresssief bejegenen of manipuleren voor het eigen gewin. Veel deugden hebben iets sociaals, veel ondeugden iets egoïstisch. Ondanks de geïndividualiseerde cultuur groeien kinderen niet in hun eentje op en verkeren ook volwassenen veelvuldig in diverse sociale verbanden. Zonder een fikse training in de leer der deugden, redt een mens het helemaal niet. Dan komt hij in een isolement terecht. Iedereen vindt het nu eenmaal prettiger om om te gaan met mensen die vriendelijk zijn (niet grof), iets voor een ander over hebben (niet alleen aan zichzelf denken), moedig zijn (geen bange wezels) en enthousiast (niet lethargisch).

Degene die zich laat vollopen aan de Spaanse kust bezoekt misschien toch na thuiskomst oma in het verzorgingstehuis en gaat voetballen met zijn kleine broertje. De hanekam met de wiet-gewoonte doet zoet met zijn moeder de afwas, voor hij aftaait naar de coffeeshop. De dikke, volgevreten vrouw op de meubelboulevard neemt een keer per week een gehandicapte in een karretje mee voor een wandeling in het park. De softpornoadept is al jaren de drijvende kracht achter de schaakclub. Dit zijn allemaal kleine deugden. Niet het grote werk van sterven voor het vaderland, de brandstapel beklimmen voor je religieuze overtuiging, onderduikers in huis nemen. Maar we leven nu in omstandigheden die niet vragen om grote deugden. Als de nood aaan de man komt, komen de grote deugden vanzelf weer aan de orde – daar hoeft niemand zich zorgen over te maken. Er is geen verschil tussen grote en kleine deugden, er is alleen een verschil tussen grote en kleine omstandigheden. Ethica is hetzelfde als etiquette.

Beatrijs Ritsema

Artikelen in NRC-column.