Spring naar inhoud


Triadische genoegens

Beatrijs Ritsema

Gepensioneerden, mits fit en vief genoeg, maken uitstapjes. Ze bevolken de treinen tegen gereduceerde tarieven, ze reizen naar allerhande buitenland in of buiten het seizoen, dat maakt niet meer uit, want ze hebben toch de tijd. Dat reizen is iets waar iedereen van tevoren met veel verlangen naar schijnt uit te kijken; het geldt als het volmaakte tegenwicht voor de dagelijkse verplichtingen van een baan en het opvoeden van nog thuiswonende kinderen. Als beloning voor al het harde werken volgt dan eindelijk de vrijheid om te gaan en staan waar je wilt. Hoe komt het dat die lang verbeide vrijheid er toch altijd zo treurig uitziet? Waarom stralen oudere echtparen in de trein, maar vooral in restaurants zo'n grondeloze verveling uit? Het kan de teleurstelling zijn over het reizen als levensvervulling, maar het heeft geloof ik meer te maken met de wijze van opereren van het echtpaar zelf. Wat thuis heel normaal kan zijn, bijvoorbeeld min of meer zwijgend het avondeten naar binnen werken en daarna weer je eigen bezigheden opvatten, wordt tijdens een vakantie ineens een neerdrukkende manier van doen. Met z'n tweeën reizen vereist een geïnteresseerde houding en een bereidheid om daarover van gedachten te wisselen, maar o wat is het saai om elkaar dingen aan te wijzen en commentaar te geven op de schoonheid ervan, of te klagen over de hitte, de vieze hotelkamer, het rare eten. Het echtpaar zit in de val van zijn eigen verplichting tot plezier, de dwang om ineens met de eigen partner te moeten converseren, terwijl gedurende de afgelopen dertig, veertig jaar alles al gezegd is en ze aan een half woord genoeg hebben om precies te weten wat de ander bedoelt.

Dit is geen teken van uitgepraat zijn of op elkaar uitgekeken, het is de leegte die ineens opdoemt als de dagelijkse routines wegvallen en men eindelijk tijd heeft voor elkaar. Om aan die beslotenheid te ontkomen probeert men groepsreizen of associeert zich met een ander echtpaar, maar in beide gevallen blijft het echtpaar het onneembare bastion, de loopgraaf van waaruit geopereerd wordt en waarachter maar al te snel geretireerd wordt.

Er is zo'n voor de hand liggende oplossing voor deze draderige tweezaamheid dat ik niet begrijp dat die niet veel vaker wordt aangewend: eenvoudig een derde persoon toevoegen aan de dyade, een huisvriend of huisvriendin. Tegenover het driemanschap of, meer sekseneutraal, de triade bestaat een zeker wantrouwen. Het gaat door voor een asymmetrische configuratie die steeds uiteenvalt in wisselende coalities van twee tegenover één; wedijver en onenigheid worden erdoor in de hand gewerkt en er heerst een zekere onvoorspelbaarheid. Precies wat een ingesuft echtpaar nodig heeft. Het is leuker om één ander iemand erbij te hebben dan een ander echtpaar of stel. Twee echtparen zijn geneigd zichzelf naar sekse op te breken: de mannen praten met de mannen, de vrouwen met de vrouwen, en ze weten dat er later over hen gerapporteerd wordt. Bij een groepsgesprek met z'n vieren is bovendien de kans groot dat een van de vier buiten de boot valt. Met een combinatie van drie heb je dat allemaal niet, omdat de conversatie altijd centraal is. Tegenover een derde persoon in de huiselijke kring ben je wel bereid om opinies uit de doeken te doen waarvan je de moeite niet meer waard vindt om ze aan je partner te vertellen, en tot ieders verrassing blijkt dan dat het toch anders ligt dan je verwacht had. Zie je drie mensen aan tafel in een restaurant zitten, zijn ze altijd in een geanimeerde conversatie gewikkeld. Vier mensen ook wel, maar een huisvriend(in) in zijn of haar eentje heeft ook nog allerlei andere voordelen: je hoeft de tv niet af te zetten als hij of zij binnenkomt, hij kan moeiteloos zonder afspraak van tevoren blijven meeëten, een kwestie van twee slavinken in drieën verdelen, hij brengt levendigheid met zich mee, maar de ene helft van het echtpaar kan best tussendoor de krant lezen. En het is zoveel makkelijker voor een echtpaar om één iemand te vinden die ze allebei sympathiek vinden dan een ander echtpaar waarmee ze gelijkelijk goed kunnen opschieten. Er zijn zoveel alleenstaanden: gescheiden personen, weduwen, weduwnaars, vrijgezellen. Door echtparen gemeden en zelf bezig met de moeizame speurtocht naar een eigen partner om mee op vakantie te kunnen gaan. Terwijl het zo aangenaam kan zijn om huisvriend te zijn of er een te hebben.

Artikelen in NRC-column.


Talentenjacht

Beatrijs Ritsema

Er zijn ouders die zich geen grotere kick kunnen voorstellen dan hun ogenstrelende kleuter in een kakelbonte outfit in de Wehkamp-catalogus aan te treffen. Zij leuren met hun kind bij de modellenbureaus. Er zijn andere ouders die hun kind op een speciaal schooltje voor hoogbegaafde kleuters geplaatst proberen te krijgen – althans in Amerika, in Nederland zal een dergelijke instelling wel niet bestaan. Het is moeilijk te bepalen wat erger is: een opgepoetste kleuter die door mama naar voren wordt geduwd (lach eens naar die mevrouw!) of het in het kleinste handschrift volgeschreven een-pagina-aanmeldingsformulier met bewijzen van de voorlijkheid van de kleine. Misschien is een carriere als fotomodel van de twee kwaden nog de minste. Daar houdt het kind tenminste een aardige spaarrekening over voor later, mits de ouders de verdiensten niet voor hun eigen gerief aanwenden.

Het speuren naar talent in zijn vroegste stadium heeft iets van het uit de aarde trekken van een klein plantje om te kijken of de worteltjes wel goed groeien. Het gebeurt eerder in tijden van economische of culturele malaise dan in een hoogconjunctuur. Toen de Amerikanen ineens merkten dat ze een wetenschappelijke achterstand hadden opgelopen bij de lancering van de eerste Spoetnik, was een van de reacties dat het reservoir aan talent niet effectief genoeg benut werd. Allerlei speciale onderwijsinstellingen werden opgericht. Ook nu weer gebeurt dat, omdat ze bang zijn door de Japanners overvleugeld te worden. Onderwijzers staan op de uitkijk om hoogbegaafdheid te detecteren waar het zich voordoet en ouders worden aangemoedigd talentvolle kinderen mee te laten dingen naar een plaatsje in een stimulusrijke omgeving. Maar uiteindelijk komt het toch altijd neer op het afnemen van een intelligentietest. De voorbeelden van slimheid die de ouders zo gedetailleerd en beeldend hadden opgeschreven worden nauwelijks in de overwegingen betrokken; het gaat om een score van minimaal het 98ste percentiel op een aan jonge kinderen aangepaste I.Q.-test (dat wil zeggen 98 procent van hun leeftijdgenoten moet het slechter doen op de bewuste test).

Het probleem met intelligentie is dat in het algemeen geldt dat iemand die er veel van heeft beter geoutilleerd is voor het leven heeft dan iemand die er weinig van heeft (idem met een aantrekkelijk uiterlijk), maar dat de regel voor de hoogste regionen van intelligentie en uiterlijk schoon niet opgaat. Het is eigenlijk een statistische kwestie: er zijn eenvoudig te weinig mensen in de bewuste categorieën om de algemene voorspelling van hoe meer hoe beter te laten uitkomen. Als het wel zo zou zijn, zou het leven ook wel erg voorspelbaar worden. Een superieure I.Q.-score heeft misschien zelfs wel minder voorspellende waarde voor het criterium 'slagen in het leven' dan een meer reguliere boven-het-gemiddelde-score. Niet voor niets bestaat de vereniging Mensa (I.Q.-ondergrens om toegelaten te worden 145 dacht ik) voor een niet onaanzienlijk deel uit mensen die maatschappelijk uiterst bescheiden functies bekleden.

Maar als die mensen in hun jeugd een speciaal parcours voor superbegaafden hadden doorlopen, waren ze wel beter terecht gekomen? Misschien, misschien ook niet. Ik denk eigenlijk van niet. Het zuivere I.Q., in onderscheid van de per definitie ongrijpbare intelligentie, legt zo weinig gewicht in de schaal voor maatschappelijk en persoonlijk succes dat je het net zo goed kunt verwaarlozen. Einstein was een dubbele uitzondering. Niet alleen onderscheidde hij zich van zijn collega-wetenschappers, omdat hij slimmer en begaafder was, hij onderscheidde zich ook binnen de groep van superbegaafde tijdgenoten (de twee procent met een I.Q. van boven de 150 die zich in elke populatie bevindt) omdat hij wél iets substantieels bijdroeg aan de cultuur, namelijk de relativiteitstheorie, en de meesten van hen geen bijzondere sporen hebben nagelaten. Een hoog I.Q. is mooi meegenomen, maar het is alleen maar potentie en geen enkele garantie.

Het is eigenlijk te belachelijk voor woorden dat er nog steeds van sollicitanten ook voor hogere functies gevraagd wordt om een intelligentietest in te vullen. Die mensen hebben de een of andere opleiding achter de rug en het feit dat ze die met succes afgesloten hebben zegt al voldoende. Maar nee, ze moeten dan zo nodig drie uur lang kubusjes vouwen, reeksen afmaken en analogieën completeren om op een score vastgepind te kunnen worden. Terwijl iemand die op modaal blijft hangen over genoeg eigenschappen kan beschikken om van alles te compenseren.

Er bestaat weinig verzet tegen psychologische tests, wat begrijpelijk is want wie zich niet coöperatief opstelt, kan het baantje wel vergeten. De waarde van een psychologische test als diagnostisch instrument is duidelijk en daar is ook niet zoveel mis mee (de adviezen die zo'n test genereert kunnen altijd nog in de wind geslagen worden); bezwaarlijk wordt het wanneer tests, vooral I.Q.-tests als screeningsmethode worden gebruikt. Kinderen, kleine en grote, worden toch al zo veel en zo routinematig beklopt, nagekeken, tegen het licht gehouden, afgezet tegen het gemiddelde, kortom uitgesorteerd om ze in op maat gesneden hokjes te kunnen plaatsen.

Consultatiebureaus, schoolrapporten, Cito-toetsen, examens zijn nuttig, belangrijk en kennelijk onmisbaar. Afwijkingen, zowel in ongunstige als in gunstige zin, moeten naar behoren opgevangen worden. Toch heeft dat vigilante iets akeligs, omdat alles wat die kinderen doen of nalaten bijdraagt tot de een of andere beoordeling waar dan ook werk van gemaakt dient te worden, terwijl je het kind ook met rust zou kunnen laten, zolang het geen tekenen van onbehagen vertoont. De vroegtijdige afvoer naar een schooltje voor getalenteerden roept een heel bouwwerk van beloftes en verwachtingen voor de toekomst op. Er wordt een ingenieus traject ontworpen vol creatieve en intellectuele uitdagingen, maar waar het heen leidt is even onzeker als bij een huis, tuin en keuken school-loopbaan. Het beklemmende van dat op voorhand schiften en zeven (alles in het belang van het kind, opdat het zich maar niet verveelt) is de voortdurende oplettendheid die geboden is. Verwaarloosd worden is erg, maar scrupuleus in de gaten worden gehouden en opgekweekt in de richting van glorieuze perspectieven lijkt me evenmin een pretje.

Artikelen in NRC-column.


Zelfstandig

Beatrijs Ritsema

– Ik weet niet wat ik met Patrick aan moet de laatste tijd. Het lijkt wel of we hem helemaal niet meer bereiken kunnen.

– Die jongen moet op kamers. Hoe oud is hij wel niet langzamerhand? Drieëntwintig? Vierentwintig? Het is niet goed om zo lang bij je ouders te blijven rondhangen.

– Daar heb ik het al zo vaak met hem over gehad, maar hij wil niet. 'Waarom wil je me weg hebben? Je zet je eigen kind toch niet het huis uit,' zegt hij dan.

– En dan voel je je zeker een ontaarde moeder dat je het onderwerp zelfs maar ter sprake hebt gebracht.

– Ach, weet je, natuurlijk vind ik het fijn dat hij blijkbaar zo aan ons gehecht is. Ik merk er alleen zo weinig van. Hij komt heel laat thuis, dan liggen we allang in bed. Ik weet niet hoe laat hij opstaat, want ik ben al om acht uur naar mijn werk. En ik moet altijd avondeten voor hem bewaren, dat hij dan in de loop van de avond opwarmt in de magnetron.

– Betaalt hij dan iets van kostgeld?

– Daar maakt Pim altijd ruzie met hem over. Eigenlijk is dat het begin van de ellende geweest, toen Pim vond dat Patrick ook iets moest bijdragen. Dat nam hij heel hoog op. Hij vond het belachelijk dat wij met ons dubbele inkomen hem een beetje gingen zitten uitkleden.

– Maar hij heeft toch een baan?

– Ja, als discjockey in een disco, maar hij zegt dat hij amper genoeg verdient om zijn kleren te kunnen betalen. Dat begrijp ik ook wel. Het is een beroep dat met veel uiterlijkheid gepaard gaat.

– Dus je laat het maar gaan?

– Ik maak daar verder niet zo'n punt van, nee. Pim komt er al elke keer op terug en ik wil de verhoudingen niet nog verder vertroebelen.

– Je beperkt je tot het wassen van zijn trendy kleren, het bereiden van warme maaltijden en het op peil houden van de drankvoorraad.

– Dat klinkt wel erg cru. Ik bedoel, al die dingen moeten toch gebeuren in een huishouden. Ik vind het helemaal niet erg om de wasmachine een keertje extra te laten draaien, al moet ik toegeven dat ik wel eens de pest inkrijg bij de aanblik van slipjes en panties van mij onbekende dames.

– Hij woont nu gratis in een goed geoutilleerd hotel. Logisch dat hij niet naar een armzalige zolderkamer wil, waar hij zijn eigen potje moet koken, en bovendien nog huur moet betalen.

– Ik begrijp het niet, terwijl we hem zozeer vanaf zijn geboorte tot zelfstandigheid en onafhankelijkheid hebben opgevoed. We hebben hem altijd aangemoedigd zijn eigen beslissingen te nemen, of het nu ging om bedtijd of vrijetijdsbesteding. Hoe eerder kinderen leren zelf hun keuzes te maken, hoe beter. Dachten we.

– Nou, hij maakt nu toch ook een duidelijke keuze, dat moet je hem nageven. Hij wil gewoon alles houden zoals het is. Lekker makkelijk.

– Waar is die lethargie ineens vandaan gekomen? Hij stond zo open voor alles als kind. Hij lag altijd voor op andere kinderen. We gaven hem puzzeltjes die voor een oudere leeftijd waren, we namen hem mee naar de dierentuin toen hij nog geen twee was, naar het kindertoneel als kleuter. Alles om hem te stimuleren.

– Tja, wat wil je, een veelheid aan prikkels leidt tot prikkelbaarheid.

– Toen hij twaalf was, wilde hij leren koken. Ik mocht hem niet helpen. Wekenlang hebben we vissticks met raspatat gegeten. Hij zei: als jij kookt, maak je ook klaar wat je lekker vindt.

– En toen kwamen de vriendinnetjes.

– Zijn eerste kreeg hij op zijn veertiende. Die bleef een half jaar, en liet hem toen in de steek voor een popartiest van tien jaar ouder. In die tijd was Patrick op z'n voorbeeldigst. Om de andere dag legde hij schone lakens op het bed. Hij kookte toen ook nog regelmatig, echte maaltijden met sla erbij.

– Misschien hadden jullie hem op z'n veertiende op kamers moeten laten gaan, toen hij het nog spannend vond.

– Je zou best gelijk kunnen hebben. Hebben we hem toch nog gefnuikt in zijn zelfstandigheidsstreven. Wat oneindig stom van ons.

Artikelen in NRC-column.


Symbolische checks

Beatrijs Ritsema

Op nieuwjaarsmorgen 1982 werd een meisje uit de Amerikaanse staat Virginia in haar eigen auto aangereden door een andere en overleed ter plekke. De dader was een jongen van zeventien die op weg naar huis was na een feestje, waar flink champagne was gedronken. Een ongeluk, zoals er duizenden per jaar plaatsvinden; voor buitenstaanders niet meer dan een bouwsteentje voor de statistiek van de alledaagse ontsporingen, voor de betrokkenen een definitief keerpunt in hun leven. De jongen werd veroordeeld om een jaar lang voor groepen lezingen te houden over het onderwerp 'dronken achter het stuur' en werd daarnaast via de rechter door de ouders van het omgekomen meisje voor de keus gesteld om hetzij een bedrag van anderhalf miljoen aan schadegeld te betalen, hetzij achttien jaar lang (de leeftijd die ze bereikt had) elke vrijdag (de dag waarop het ongeluk was gebeurd) een check van één dollar op de post te doen, gericht aan haarzelf op het adres van haar ouders. Deze regeling zou van kracht blijven tot augustus van het jaar 2000, en de dader had weinig keus, dus hij postte zijn wekelijkse een-dollar-checks. Totdat hij er niet meer tegen kon en er mee ophield, dat was in maart 1989. Met het houden van lezingen door het hele land over de consequenties van dronken chaufferen was hij nog zes jaar extra doorgegaan, en tevens had hij twee videoprogramma's over het onderwerp gemaakt. Een reguliere baan had hij nooit gekregen.

De ouders daagden hem, inmiddels 26, opnieuw voor het gerecht wegens het niet nakomen van zijn verplichtingen. Aan de twee dozen vol met op voorhand uitgeschreven een-dollar-checks tot het jaar 2000 hadden ze geen boodschap, evenmin aan zijn tranen of spijtbetuigingen, of aan zijn bezweringen hoezeer hij in zijn dromen door het dode meisje werd achtervolgd. Elke week een check, niets meer en niets minder, dat was wat ze wilden. De eis werd toegewezen.

Een verschrikkelijk verhaal met alleen maar verliezers erin. Nu gaan alle verkeersongelukverhalen altijd over verliezers, omdat de nabestaanden voor het leven getekend zijn, en de daders (als het goed is) ook, maar dit geval is wel heel erg schrijnend. De sympathie van mij als buitenstaander gaat bijna mijns ondanks in de richting van de dader, wiens leven even grondig ontwricht lijkt als dat van de ouders. Het feit dat hij zijn schuld al die jaren niet ontlopen is, legt hierbij het nodige gewicht in de schaal. Hoe anders zou het zijn, wanneer hij vanaf het begin de zaak gesaboteerd had, of zelfs wanneer hij al na drie jaar zijn betalingen had gestaakt. Blijkbaar zit er een schaal in mijn hoofd met impliciete ijkpunten, waarop genoegdoening geleidelijk overgaat in straf, en straf in wraak. Het is vreemd, want uiteindelijk, zou je kunnen zeggen, is het slechts een symbolische straf: wat is nu helemaal één keer per week een check voor een luttel bedrag uitschrijven en op de post doen? Als iemand die zo'n misdaad heeft begaan zoiets eenvoudigs niet kan opbrengen, is dat misschien juist een reden om hem er des te meer toe te dwingen. Aan de andere kant is het symbolische aan de straf tegelijk het wurgende. De ouders beletten hem het vergeten van hun dochter; vanuit het standpunt van nabestaanden een alleszins redelijke, zelfs minimale, eis. Het is de vraag of de eis nog steeds redelijk is ten opzichte van iemand die er blijk van geeft toch al voor de rest van zijn leven aan zijn slachtoffer vastgeklonken te zijn. Er komt dan een licht-sadistische waas over het hele protocol te liggen, slechts een nuance beschaafder dan de praktijk van een heropvoedingskamp, waarvan de ingezetenen steeds maar weer dezelfde litanie van de door hun gepleegde zonden moeten opdreunen.

Voor de ouders zijn deze overwegingen volslagen irrelevant, wanneer ze afgezet worden tegen de dood van hun dochter. Het verlies is onherstelbaar, het verdriet niet te lenigen, de woede niet te temperen. De persoon van de dader, zijn wroeging, zijn boetedoening interesseren hun niet. Een wekelijkse check als tastbaar bewijs van het niet-vergeten lijkt het enig haalbare. Iets wat onvergeeflijk is, kan ook niet vergeven worden, dus zullen zij tot het jaar 2000 naar de rechter blijven lopen, telkens als de afgedwongen overeenkomst wordt geschonden.

Ze staan in hun recht, maar het is een onmenselijk recht dat bovendien hunzelf verwoest. Tegenover dood door andermans toedoen kan nooit enige genoegdoening staan, zeker niet van de kant van de dader. Contact tussen nabestaanden en dader maakt alles nog erger dan het al is: als de dader gebukt gaat onder schuldgevoel over wat hij heeft aangericht, is dat geen reden voor de nabestaanden om het hem minder kwalijk te nemen of zich beter te voelen; lijdt hij er niet onder, dan wordt de woede alleen maar groter. Het beste is om zo min mogelijk met elkaar te maken te hebben en de afhandeling van de restitutie over te laten aan een niet-betrokken instantie, de rechtsstaat. Als de strafmaat te licht is naar de zin van slachtoffers of nabestaanden, moet men zich richten op degenen die daar verantwoordelijk voor zijn en proberen daar invloed op uit te oefenen. De hulp van advokaten kan ingeroepen worden, er kunnen actiegroepen worden opgericht. Alles is beter dan zichzelf te encanailleren. Van iemand die een geërfd juweel heeft gestolen en verpatst accepteer je geen ander collier van grofweg dezelfde waarde als genoegdoening. Iemand die je poes heeft overreden, hoeft niet met een nieuw poesje aan te komen zetten. Met iemand die je dochter heeft vermoord, treed je niet in contact, geen brieven, geen gesprekken en ook geen symbolische checks. Zo iemand draag je over aan de autoriteiten – die zijn tenslotte voor het opknappen van het vuile werk.

Want dat lijkt me het ergste van die hele zich voortslepende check-geschiedenis: week in, week uit worden die ouders geconfronteerd met de handtekening van de man die hun dochter doodde. Elke week in de brievenbus tussen de rest van de post. Haar nagedachtenis wordt verwrongen en besmeurd, doordat die man zich steeds maar aandient. Het is voor de ouders onmogelijk geworden aan hun overleden dochter te denken, zonder dat zich onmiddellijk het beeld opdringt van haar moordenaar en de heisa eromheen. Hij had nooit binnengeroepen mogen worden! Wat niet betekent dat hij dan vergeven zou zijn. De dader (of diens handtekening) buiten de deur houden is geen zaak van coulantie maar van zelfbehoud.

Artikelen in NRC-column.


Krimpende kasten

Beatrijs Ritsema

Een bed is onontbeerlijk evenals een tafel en een stoel, maar zonder kast vaart niemand wel. Niet het minste ongerief van een verplegings- of verzorgingsinstelling is de reductie van de persoonlijke opbergruimte tot een enkel nachtkastje. Het rare met kasten is dat je er nooit genoeg aan hebt. Stel, je komt een huis binnen, helemaal leeg, en je dwaalt door de kamers, waar zich tot je onverwachte genoegen overal kasten blijken te bevinden die smeken om gevuld te worden. Toch lukt het nooit om alles erin te krijgen. In een ommezien zijn alle kasten gevuld, terwijl er nog steeds twintig volle dozen her en der door het huis verspreid staan.

Nu is het wel zo dat het absorptievermogen van vreemde kasten geringer is dan van een oude kast die al jarenlang dezelfde spulletjes herbergt en waar ook altijd nog wel wat bij kan. Een onbekende kast die je voor het eerst in gebruik neemt is weerspannig: hij is onmiddellijk vol. Pas in de loop van de tijd, wanneer er wederzijdse gewenning is opgetreden, zal de kast zijn elastische kwaliteiten (die hij ook heeft – alle kasten zijn daarvan voorzien) prijsgeven. Merkwaardig genoeg moeten ook oude, getrouwe kasten eerst acclimatiseren, als ze versleept zijn. Hoewel meer dan de helft van de boeken in opslag achtergebleven is, toont de provisorisch ingerichte boekenkast een even volle aanblik als tevoren. Tegelijk met de krimpende kastruimte heeft er blijkbaar een raadselachtige vermenigvuldiging van boeken en trouwens ook van voorwerpen in het algemeen plaatsgevonden.

Het beste is dat aan het speelgoed te zien. Kon dit voorheen keurig opgeborgen worden in twee kastjes, nu blijkt de ene na de andere opengemaakte doos speelgoed te bevatten, met ook nog van allerlei onbekends erin, alsof er een anonieme gulle gever is geweest die stiekem de kinderen op het laatst nog het een en ander heeft toegestopt. De kinderboeken lijken zelfs wel verdubbeld in aantal! Dat is niet zo erg. Die komen ooit nog wel van pas en bovendien nemen ze weinig ruimte in. Veel speelgoed, dat is pas erg. Ik word altijd erg gedeprimeerd als ik een huis binnenkom, waar de bewoners kniediep door het speelgoed waden. De overvloed grijpt me naar de keel en bezwaart volgens mij ook de kinderen zelf, want wat ze ook doen, in ieder geval niet ermee spelen. Dergelijke hoeveelheden laten zich ook niet meer naar behoren opruimen, want de kasten mogen dan gewillig zijn zich vol te laten proppen, de dag erna wordt de vloer weer even ordeloos volgestort.

Ik hoor niet tot de categorie van ouders die 's avonds alle puzzels eigenhandig leggen, voordat ze ze terug in de doosjes doen, maar ik zorg er dan nog wel voor dat de juiste stukjes in het juiste doosje gaan. Ook ben ik niet te beroerd om tien minuten op mijn knie

Artikelen in NRC-column.


Geen donorcodicil

Beatrijs Ritsema

Zo, de harttransplantatie zit veilig in het ziekenfondspakket en de eerste ex-alcoholist kan met een brandschone, verse lever een nieuw leven beginnen. Zonneschijn! Ware het niet dat mensen boven de 55 niet in aanmerking komen voor een nieuw hart en dat codicildragers zich eraan ergeren dat hun geheelonthoudende lever wel eens een nieuwe behuizing zou kunnen vinden bij iemand die zichzelf de hele misere heeft aangedaan en misschien wel fris en vrolijk van voren af aan begint met drinken. Uit misnoegen verscheuren zij hun codicil of voorzien het van restrictieve bepalingen, en de 55-plussers (althans hun belangenbehartigers) roepen woedend dat het stellen van leeftijdsgrenzen voor medische behandelingen discriminatie is. Altijd wordt dan de kerngezonde zestiger opgevoerd, nooit ziek geweest, nooit gerookt of gedronken (je zou hem niet meer dan 50 geven, als je hem ziet lopen), die dan ineens een nieuw hart nodig heeft. Helaas vist hij achter het net, dit in schrijnend contrast met het 45-jarige wrak wiens hobby het was zich te laten vollopen met cholesterol. Allemaal heel onrechtvaardig, toch vraag ik me af waarom die kerngezonde 60-er ineens een nieuw hart moet hebben – zo gezond kan die al die tijd dan toch niet geweest zijn, zou je zeggen.

Elke wettelijke bepaling die het transplanteren enigszins wil reguleren leidt gegarandeerd tot onverkwikkelijke discussies over geld versus de waarde van het leven van één individu. Ze zijn onverkwikkelijk, omdat iedereen die maar iets van een hiërarchie wil aanbrengen in patiënten die wel of niet aan de bak met nieuwe organen zullen komen, beschuldigd wordt van commercieel denken, gerichtheid op resultaten in medisch-technologische zin en onverschilligheid voor het lot der zwakkeren. Dit moge zo zijn, maar het zijn geen kenmerken van degenen die onderscheid willen maken en selecteren, maar van de hele orgaantransplantatiepraktijk als zodanig.

Jarenlang heb ik met een donorcodicil op zak gelopen uit een vaag soort altruïsme, totdat ik het kwijtraakte en er nooit meer aan toe kwam een nieuw in te vullen. Het is niet alleen lamlendigheid. Ik vind het best om na mijn dood geplunderd te worden, maar tegelijk denk ik: waarom zou ik het ze makkelijk maken, als ik eigenlijk die hele ontwikkeling in de medische wetenschap een verkeerde weg vind? De transplantatiekunst gaat met enorm prestige gepaard voor artsen en ziekenhuizen, er gaan zakken geld mee heen terwijl het met de basisvoorzieningen steeds moeizamer gaat, en, wat me nog het meeste tegenstaat: de dwingelandij die uitgaat van een ongeneeslijk ziek iemand die alleen gered kan worden door de dood van een ander. In zijn boekje 'De jacht op organen' beschrijft de Amerikaanse journalist Mark Dowie hoe er op een congres van transplantatie-artsen nog net niet het glas werd geheven, toen bekend werd dat Reagan de maximumsnelheid had verhoogd van 55 naar 65 mijl op de snelwegen: dat zou toch al snel zo'n 900 extra donoren per jaar opleveren.

Het is een tak in de medische wetenschap die de dood exploiteert, een beetje zoals hyena's maar dan uitgekiender. Natuurlijk is het een nobel doel om ongeneeslijk zieken nieuwe kansen te geven en ongetwijfeld worden de transacties van organen correct en respectvol afgewikkeld, al is het onthutsend om in Dowie's boek te lezen hoe de omslag in de houding tegenover een slachtoffer van een ongeluk verloopt: eerst worden alle zeilen bijgezet om hem te redden, dan, als de prognoses steeds somberder worden, vindt er een geleidelijke perspectiefwisseling plaats van intensive-care-patiënt naar bio-dode, een potentiële donor, wiens organen geoogst kunnen worden.

Iedereen wil liever niet dood, maar het lijkt wel of de persoon die slechts op spectaculaire wijze gered kan worden, alleen al om die reden ook daadwerkelijk meer prioriteit krijgt. De meeste mensen met een slepende ziekte gaan gewoon dood in meer of minder kommervolle omstandigheden. Een enkele keer kan een transplantatie uitkomst bieden; ze leven dan wat langer (hoe veel langer eigenlijk?) Het doet me nog het meest denken aan dat gedoe met die walvissen. Het milieu gaat naar de knoppen, en waar is het oog van de wereld op gericht? Op twee walvissen die vastzitten in het ijs. Die moeten worden gered. Nou vooruit, dan redden we ze. Maar er zijn belangrijker dingen.

Artikelen in NRC-column.


Weeda’s winkel

Beatrijs Ritsema

Iteke Weeda heeft een winkel en in het nieuwe nummer van Opzij houdt ze uitverkoop. Onder de vlag 'de mens achter de wetenschapster' laat ze zich interviewen over waar het allemaal naar toe gaat en waar het naar toe zou móeten gaan. Tussen deze twee hoedanigheden maakt zij nooit verschil, aangezien wat wenselijk is altijd al als trend in haar mega-enqutes aanwezig is en dus alleen nog maar vergroot en doorgetrokken hoeft te worden (van anderssoortige en tegengestelde trends, die niet in haar conceptuele raamwerk passen neemt ze gemakshalve aan dat het een aflopende zaak is). Zelf ben ik een liefhebber van enqutes en vragenlijsten. Aanbellende enquteurs krijgen van mij een warm onthaal en ik blader graag door de bijlages van onderzoeksrapporten, waar de letterlijke tekst van vragenlijsten in staat afgedrukt met percentages en al. Soms zie je al aan de formulering van de vragen dat het onderzoek niet deugt, soms aan de percentages.

Ik heb het onderzoek van Weeda naar lustbeleving onder vrouwen niet in ruwe vorm bekeken, maar een van de resultaten, die in het interview aangehaald worden, was dat twee derde van de vrouwen het niet erg zouden vinden als hun man impotent was. Het is een cijfer dat wantrouwig maakt. Toegegeven, er zijn veel slechte huwelijken en vrouwen hebben notoir minder zin in seks dan mannen, maar dat twee van de drie vrouwen het wel best zouden vinden dat hun man als een dweil door het seksuele leven zou gaan, is wel erg kras. Impotentie is een akelige aandoening, die de zelfwaardering ondermijnt en die leidt tot allerlei geëxcuseer en teleurstelling over en weer in bed. Kortom iets heel vervelends, waarmee niet alleen de getroffen mannen, maar ook hun vrouwen tobben, behalve dan die 25 % (natte vingerschatting van mij) die sowieso niets lichamelijks meer met hun man willen en dus ook geen langoureus body-to-body-contact-zonder-daad, waar volgens Weeda alle vrouwen altijd zo vruchteloos naar verlangen. Iteke Weeda tilt niet zo zwaar aan impotentie. Zelfs als een vrouw verliefd wordt op een impotente man, is er volgens haar nog niets aan de hand, zolang hij maar goed kan vrijen en de vrouw op tedere wijze naar haar gerief leidt. Om de gedachten te bepalen is het aardig om in de vraagstelling de seksen te verwisselen. Dan krijgen we: twee derde van de mannen vindt het geen punt als hun vrouw anorgasmisch en frigide zou zijn. En de extrapolatie: verliefd worden op een frigide vrouw hoeft helemaal geen ramp te zijn, zolang ze de techniek van het vrijen maar beheerst. Wie dergelijke seksistische onderzoeksresultaten zou uitventen met het vertoon van Iteke Weeda, zou zijn leven onder feministen niet meer zeker zijn, maar zou op z'n minst niet serieus genomen worden. Het is mij een raadsel waarom dat met haar wel gebeurt.

Al even hemeltergend zijn haar profetieën: netwerken moeten we en groepswonen zullen we. Wat netwerken nog meer inhoudt behalve het onderhouden van sociale contacten, weet ik niet. Weeda zegt dat het goed voor de mens is, en dat wil ik wel aannemen, al vind ik het een beetje enge term omdat ik meteen zo'n gevlochten interlockje voor me zie. In haar eigen persoonlijke leven doet ze trouwens niet aan netwerken, want ze zegt: 'het vriendschapsnetwerk vind ik een wenselijke ontwikkeling, maar voor mezelf is het uiteindelijk niet de manier van leven.' Zij heeft haar sociale contacten via haar werk, inderdaad wel zo efficiënt, heel verstandig.

Het is misschien flauw om van mensen enige consequentheid te verwachten tussen wat ze enerzijds preken en aanprijzen voor het grote publiek en wat ze anderzijds zelf in de praktijk brengen. De Jim Bakkers roepen op tot bekering, boetedoening en halleluja-gezang, maar wentelen zichzelf in seks, geld en losbandigheid. Marion Barry en de andere kruisvaarders tegen de drugs geven zich in hun vrije tijd maar al te graag over aan crack en speed en coke. Dat zijn allemaal geen dingen die veel verbazing hoeven te wekken. Soms wordt er eens iemand betrapt en dan is er een smakelijk schandaal. Zo zit de wereld in elkaar, en desondanks vind ik het nogal stuitend om, nog steeds in hetzelfde interview met mevrouw Weeda, te lezen dat 'de groepswoning zo'n wenselijke ontwikkeling is, waar ze persoonlijk niet aan moet denken.'

Zelf is ze nogal op privacy gesteld, maar voor bijstandsvrouwen is het toch veel goedkoper om de wasmachine en andere voorzieningen te delen, en bovendien kunnen die dan groepsgewijs de eenzaamheid, de vergrijzing en het teruglopende verzorgingsniveau van de welvaartsstaat het hoofd bieden. Het is vooral de schaamteloosheid waarmee ze voor zichzelf claimt wat ze anderen wil onthouden, die zo onthullend is in dit interview. Met haar geld en positie heeft ze ongetwijfeld een prettige ziekte- en ouderdomsverzekering geregeld, die haar in staat zal stellen allerlei professionele hulp te charteren, mocht ze ziek en gebrekkig worden. Voor bijstandsoma's zal dit moeilijk worden. Tegen die tijd kunnen die kiezen uit twee kwaden: verzorging door hun netwerk (zelf ook niet meer in de kracht van hun leven) of afgevoerd worden naar verzorgingstehuizen, waar het personeelswerk voorlopig alleen maar nijpender wordt. Heeft Iteke Weeda de verbetering (of zelfs maar het op peil houden) van de basisgezondheidszorg in haar winkelassortiment? Welnee, ze heeft heel andere bestedingen van het geld in gedachten: 'Ik vind het ontzettend leuk mijn winkel met nieuwe produkten uit te breiden. Dan gooi ik weer eens een zwangere man in de etalage.' Ach ja, ik was even vergeten dat het doel waar wij naar dienen te streven de ultieme gelijkschakeling van man en vrouw is.

Ik werp een blik in de etalage van Weeda's winkel. Links en rechts rollen de groepswonende netwerken ruziënd over de grond. In het midden prijkt de zwangere man. Hij is impotent, hij heeft een sperma-extractie moeten ondergaan (standaard in het ziekenfondspakket). De gynaecolooog (antropoloog?) wet reeds zijn scalpels voor de keizerinnesnede. Ik huiver en maak me uit de voeten.

Artikelen in NRC-column.


Een zootje marionetten

Beatrijs Ritsema

Je hebt gelovigen en atheïsten en beide groeperingen zijn in staat om grote irritatie bij mij te wekken. Nu ik erover nadenk, geldt die irritatie eigenlijk ook de mensen die trouwhartig zeggen dat ze niet godsdienstig zijn, maar ergens toch wel geloven dat er iets meer moet zijn, want 'anders zou het allemaal geen zin hebben'. Wat mij in alle drie de levensovertuigingen tegenstaat is het antropocentrische ervan, het jezelf als mens in het middelpunt stellen. Bij de gelovigen is dat het duidelijkst: ze geloven in een leven na de dood, in beloning voor lijden en straf voor wandaden, in een rekening die vereffend zal worden in het hiernamaals. De atheïsten vinden dit een kinderachtige vorm van denken (waar ze gelijk in hebben), beschouwen religie überhaupt als volksverlakkerij (waar ze ongelijk in hebben – de behoefte aan geloof is onuitroeibaar) en stellen er met veel aplomb het Grote Niets tegenover.

Helaas zijn de argumenten pro het Grote Niets even krakkemikkig en speculatief als de argumenten pro de Almachtige God, dus je ziet al snel dat de atheïst zich in de discussie gaat toeleggen op het ontkrachten van de argumenten pro God (aanval is de beste verdediging) en daarmee glijdt hij af naar hetzelfde niveau van kinderachtigheid die hij in de godsdienstige persoon juist probeert te bestrijden. 'Als er een God bestaat, waarom dan al dat lijden?' vraagt de atheïst rethorisch, 'als hij zo almachtig is, waarom heeft hij dan niet Auschwitz verhinderd? Wie kan er in zo'n wrede God geloven die dat allemaal maar laat gebeuren?' Het triomfalisme dat met het uitspelen van deze troefkaart gepaard gaat, bevalt me helemaal niet. Het lijkt er nog het meest op dat de atheïst God voor zijn nalatigheid wil straffen door niet in hem te geloven.

Toch schijnt Auschwitz de theologen wel degelijk voor problemen te stellen, want in een interview met Elie Wiesel in Elsevier las ik dat er tegenwoordig geen theologisch boek meer verschijnt, of het probleem van de onverenigbaarheid van God met Auschwitz komt erin aan de orde. Dat vond ik heel vreemd. Dat men zich het hoofd breekt over de verhouding tussen Auschwitz en de westerse cultuur, of het christendom, of de katholieke kerk, of de paus, alla, die vragen kunnen theologen en anderen zichzelf stellen en ik kan me iets voorstellen bij de antwoorden. Maar wat heeft God ermee te maken? Als hij bestaat, dan zit hij niet alleen niet te dobbelen, zoals Einstein zei, maar hij zit in ieder geval ook niet te rekenen in de trant van 'waar zal ik mijn grenzen stellen, vier miljoen? zes miljoen? acht miljoen?' Dat zou belachelijk zijn; hij bestiert niets, hij regelt niets, de hele gedachte van een wezen dat vanuit de verste verten neerblikt op een zootje door hem ontworpen marionetten die het goed of fout kunnen doen, is een verkeerde metafoor, want niet meer dan een analogie met de mens zelf, zoals die met zijn ondergeschikten (kleine, zwakke, oude mensen, planten en dieren) omgaat.

Voor de mens is de belangrijkste dimensie om in te denken goed-slecht. Het leven is een opeenhoping van dingen die goed of slecht worden bevonden en die onderling worden uitgevochten. Het is niet verwonderlijk dat de ultieme moraliteit bij gebrek aan ondubbelzinnig ijkpunt op aarde naar God wordt afgeschoven. Dat geeft toch een beetje een standaard, een gevoel van richting en van functionaliteit. Maar als God bestaat (wat noch geverifieerd noch gefalsifieerd kan worden) is de kans groot dat begrippen als goed en slecht op hem helemaal niet van toepassing zijn, net zo min als een waterval op zichzelf genomen goed of slecht is. De pest met God is dat je hem precies zo kunt aankleden en inrichten als je zelf wilt en dat het dus altijd neerkomt op een projectie van het menselijke. Maar als hij bestaat, is het menselijke juist dat waar hij zich aan onttrekt.

Het is misschien niet zo zinvol om te geloven in een uitgeklede God die niets met goed en kwaad te maken heeft, die geen rekeningen vereffent en die niet achteraf het leven zin geeft. Toch zou zo'n God best kunnen bestaan, een zinloze God met gevoel voor absurditeit.

Artikelen in NRC-column.


Rechtvaardigheid

Beatrijs Ritsema

Soms wordt iemand wel heel onverwachts voor andermans karretje gespannen. György Konrád leest geen nederlands, dus hij weet niet wat hem is overkomen, maar het zou me verbazen als hij het betoog van Chris Rutenfrans vorige week op de Opiniepagina toejuichte. De criminoloog Rutenfrans is een steile denker, zoals je vroeger steile dominees had; Konrád is een milde denker, die in een essay gepleit heeft voor een absoluut taboe op het doden van mensen. Dit essay stond een paar maanden geleden in het 'Nieuw Wereld Tijdschrift' en, naar wat ik me herinner, ging het over oorlog, wapens en vooral over geweld. Het was een beetje moedeloos stuk, alsof de schrijver er zelf niet helemaal in geloofde, wat maar al te begrijpelijk is, want als er één theorie is die elk uur van de dag duizendvoudig verkracht wordt, dan is het de theorie van het pacifisme. De begrippen euthanasie en abortus kwamen echter in het hele essay niet voor, laat staan dat er sprake was van coma-patiënten, en dat zijn nu precies de gebieden die Rutenfrans tooit met Konráds 'Gij zult niet doden'-wimpel. Hij had zich voor hetzelfde geld op de Tien Geboden kunnen beroepen, maar een referentie naar zo'n bewonderde en sterk in de belangstelling staande schrijver spreekt allicht meer tot de verbeelding van een geseculariseerd publiek.

Toch kan ik me nauwelijks een incongruenter stel onder één paraplu voorstellen dan Konrád en iemand als Rutenfrans die zo uit het Oude Testament is weggelopen. Zijn visie op het moerassige onderwerp van de euthanasie wordt gekenmerkt door een granieten rechtvaardigheid, even hard (en even onverzoenlijk) als het oog-om-oog, tand-om-tand principe dat door de hoofdpersonen uit Deuteronomium werd verkondigd als leefregel. Waarom mag mevrouw Stinissen volgens Rutenfrans niet van deze of gene arts een klein zetje krijgen dat haar over de richel doet tuimelen waar ze nu al vijftien jaar op balanceert? Haar geval berust op een onaangenaam bijverschijnsel van de voortgeschreden medische techniek, die zich in zoverre tegen zichzelf gekeerd heeft dat het sterven van een natuurlijke dood tot in lengte van dagen uitgesteld kan worden. Het resultaat is een vegetatief bestaan, waar niets positiefs meer aan te ontdekken valt voor geen van de betrokkenen. Waarom dan toch geen punt erachter gezet? Rutenfrans: 'Diezelfde voortgeschreden medische techniek maakt het immers mogelijk dat zeer veel mensen veel langer dan voorheen in goede gezondheid van het leven kunnen genieten.' Met andere woorden: wij smaken hier met z'n allen de lusten van de medische wetenschap, dan zullen we ook de lasten dragen en ons niet daar onderuit proberen te draaien. Niet flauw zijn. Dertig jaar geleden was mevrouw Stinissen na een weekje coma overleden. Nu worden talloze mensen gered doordat er sondevoeding bestaat, dus dan zal deze verworvenheid haar niet onthouden worden, ook al brengt dat alleen maar last en treurigheid met zich mee. (De terminologie in deze kwesties is altijd van elastiek: Rutenfrans spreekt waardenvrij van 'kunstmatige voeding', men zou het ook over 'dwangvoeding' kunnen hebben, iets wat een heel andere associatie wekt – niet eentje waar Konrád enthousiast over zou zijn overigens.) Hoe dan ook, de redenering is glashelder: geen lusten zonder lasten. Vegeterende comapatiënten, faeces-brakende, gedementeerde honderdjarigen vormen zo in levende lijve de prijs die betaald wordt voor de medische vooruitgang. Streng, rechtvaardig en keihard.

Datzelfde rechtvaardigheidsbeginsel kwam ik ook tegen, zij het in een veel verhuldere vorm, in de zich al maanden voortslepende discussie over 'de mongool met de darmafsluiting'. Die werd op verzoek van de ouders niet geopereerd en stierf kort na zijn geboorte. De huisarts van de ouders maakte de zaak aanhangig (het zal je huisarts maar wezen) en iedereen begon zich ermee te bemoeien. De meest spectaculaire aflevering van dit drama dat werd uitgevochten in de media vond een paar weken geleden plaats in het tv-programma 'Rondom Tien'. Voor- en tegenstanders van het nalaten van de operatie waren aanwezig (niet de bewuste ouders, maar wel een aantal direct betrokkenen zoals de kinderarts die niet opereerde). De discussie was zeer interessant, maar beviel me niet omdat er allerlei dingen ongezegd bleven.

Zo handelden de ouders, bij monde van de kinderarts, in de eerste plaats 'uit liefde voor het kind' en 'omdat zij het beste met hem voor hadden'. Dat zal best waar zijn, maar het punt 'eigenbelang' had zeker niet onvermeld mogen blijven. Het krijgen van een mongooltje is een aardverschuiving: het leven van de ouders verandert er ingrijpend en definitief door. Wie weet, om maar een eenvoudig voorbeeld te noemen, had de moeder wel een baan die ze had moeten opzeggen om de rest van haar leven ervoor te zorgen (van een vader die zijn baan opzegt om voor een zwakzinnige te zorgen heb ik nog nooit gehoord). Toevallig had het kind echter een darmafsluiting, operatief makkelijk te verhelpen, maar toch – je kunt het zien als een noodluikje, een godsgeschenk om alsnog de dans te ontspringen. Kun je het ze kwalijk nemen dat ze dat buitenkansje aangrepen? Het is zo makkelijk, er hoeft alleen iets nagelaten te worden. Ik neem het ze niet kwalijk, integendeel, maar waarom blijft het aspect egoïsme als zodanig ongenoemd?

En dan de tegenstanders. Dat waren in het algemeen mensen die zelf een geestelijk gehandicapt kind hadden. Hun argument kwam erop neer dat je vlak na de geboorte zo'n beslissing niet kunt nemen, dat je in een schoktoestand verkeert, dat zij zelf hun kind ook dood gewenst hadden, maar zie nu eens, zoveel jaren later: het kind was niet meer weg te denken uit hun leven, ze beleefden er ook veel vreugde aan en bovendien was het zelf ook gelukkig. Dat zal best waar zijn, maar ik proefde nog iets anders uit hun woorden en dat was: 'Wij hebben al die ellende doorgemaakt, waar we niet om gevraagd hebben, en zij draaien zich er op slinkse wijze onderuit. Dat is niet eerlijk, dat is niet rechtvaardig. Ieder moet zonder tegenstribbelen het kruis dragen dat hem toevalt.' Het verschrikkelijke rechtvaardigheidsstreven dat tot uiting komt in anderen de enig juiste handelwijze voorschrijven, terwijl dit soort gevallen zich niet onder algemene richtlijnen laten vangen.

Egoïsme is niet de meest hoogstaande onder de drijfveren, maar het is wel menselijk, menselijker vaak dan het ijskoude rechtvaardigheidsstreven.

Artikelen in NRC-column.