Spring naar inhoud


Slecht-nieuws-telefoontjes plegen

Beste Beatrijs,

Ik, man van bijna 30 jaar, werk bij een grote financiële instelling. Ik voer hier voornamelijk slecht-nieuws-gesprekken. Het valt mij op dat het begin van de gesprekken meestal netjes en beleefd verloopt (men zegt ‘u’), maar dat ik, wanneer de betekenis van mijn bericht is doorgedrongen, meteen op onvriendelijke wijze word getutoyeerd. Ik vraag mij af wat ik kan doen om van de tegenpartij het respect te krijgen dat ik zelf ook in acht neem, namelijk ‘u’ zeggen en normale omgangsvormen hanteren. Ik ben mij ervan bewust dat ik een jeugdige en enthousiaste stem heb. Maar om steeds een grafstem op te zetten lijkt me overdreven, bovendien kan ik heel goed professioneel telefoneren. Ik ben niet de enige met dit probleem, collega’s hebben er ook last van. Trainingen vanuit het bedrijf lijken helaas niet echt te helpen.

Hoe krijg ik respect?

Beste Hoe krijg ik respect,

Wie zijn geldzaken niet op orde heeft, heeft z’n emoties vaak ook niet in de hand.

Die bedrijfstrainingen schieten behoorlijk tekort! Als er iets is waarop u en uw collega’s getraind moeten worden, dan wel het hanteren van woede aan de andere kant van de lijn. Uw werk bestaat uit het voeren van slecht-nieuws-gesprekken. Ik neem aan dat het over schulden, betalingsachterstanden en deurwaarders gaat. Van dat soort telefoontjes worden mensen niet vrolijk. Wat niet wegneemt dat ze hun emoties binnenboord zouden moeten houden. Maar dat doen ze natuurlijk niet. Die mensen schrikken zich rot. Het belangrijkste wat u te doen staat is een mentaal pantser ontwikkelen, waarlangs u de beledigingen en de scheldpartijen kunt laten afglijden. Punt 1 van de training is dat u de uitlatingen van de klanten niet persoonlijk moet opnemen. De klant tiert en raast tegen het universum dat hem een loer heeft gedraaid en u zit toevallig in de rol van spons aan de telefoon. Wees erop voorbereid dat de boodschapper van slecht nieuws vaak een veeg uit de pan krijgt. En tja, dan gaat men tutoyeren. Neem het niet persoonlijk en neem het niet serieus. Wie zijn geldzaken niet op orde heeft, heeft z’n emoties vaak ook niet in de hand, dus zo vreemd is het niet dat u als boodschapper van slecht nieuws het voor uw kiezen krijgt.

Reageer met begrip maar houd vast aan een zakelijke opstelling. U maakt gewag van een ‘jeugdige en enthousiaste stem’. Met jeugdigheid is niets mis, maar ik raad u aan om uw enthousiasme zo veel mogelijk te dempen. Uw boodschap (over wanbetaling, schulden en juridische dreigementen) leent zich niet voor peptalk. Mogelijk worden klanten daardoor op het verkeerde been gezet, dus wees alstublieft niet enthousiast, maar spreek rustig en zakelijk, alsof u een politieagent bent die een bekeuring uitschrijft. ’t Is spijtig, maar het is niet anders.

Gedurende het hele gesprek blijft u zakelijk en begripvol. U laat zich niet afleiden door emotionele uitbarstingen, u reageert niet op het onvermijdelijke getutoyeer aan de andere kant van de lijn, maar u blijft beleefd vousvoyeren en u probeert de persoon terug te brengen naar het eigenlijke onderwerp. Als de tegenpartij kalmeert, valt hij/zij met een beetje geluk zelf ook weer terug op u zeggen.

Dring intussen bij het management aan op betere trainingen voor uw afdeling. Het probleem van klanten-zonder-respect is endemisch in uw branche. Wat ik aan aanwijzingen heb aangestipt moet echt grondig gedurende meerdere sessies in een simulatiesetting worden geoefend door alle collega’s van uw afdeling, voordat men het onder de knie heeft.

Artikelen in Telefoon, Zakelijke relaties.

Gelabeld met .


Welk openbaar toilet?

Beste Beatrijs,

Binnenkort ga ik (opa) met mijn kleindochter van vier een dagje naar de dierentuin. Een leuk vooruitzicht voor ons beiden. Zij is een schat van een meisje dat op haar manier zelfstandig in het leven staat, maar ook hier en daar hulp bij nodig heeft. Ik vraag me af naar welk toilet ik ga, wanneer zij daarheen moet. Ben ik als grootvader/ begeleider ongewenst in het damestoilet? Of ga ik met haar naar het herentoilet, waar ze mij niet scheef zullen aankijken, maar dat ik voor haar een minder geschikte plek vind?

Dames of heren?

Beste Dames of heren,

Vraag aan uw kleindochter of ze hulp nodig heeft of dat ze het alleen af kan. De meeste vierjarigen kunnen best zelfstandig naar de wc. Zo ja, laat u haar naar de Dames gaan, terwijl u zelf buiten voor de deur blijft wachten. Als ze wél hulp nodig heeft, ga dan met haar mee naar het damestoilet. Zij is tenslotte degene die de faciliteiten nodig heeft, zij heeft niets aan urinoirs en een grootvader mag best met zijn kleindochter even de damestoiletten binnen.

Artikelen in Grootouders en kleinkinderen, Horeca.

Gelabeld met .


Vriendin troeft steeds over

Beste Beatrijs,

Ik heb een vriendin, die ik al meer dan 20 jaar ken. Ze is aardig, maar de laatste tijd erger ik me aan haar overtreffende trapmodus. Ze was altijd al graag het middelpunt, maar het lijkt wel erger te worden. Als ik iets vertel, gaat zij er steeds overheen. Een voorbeeld: ik vertelde dat mijn dochter en haar man gegeten hadden op de Euromast, omdat ze elkaar tien jaar kenden. Zij zegt dan: ‘Mijn zoon en schoondochter kennen elkaar al 22 jaar.’ Ik vind het zo irritant. Bij haar is alles groter, mooier en geweldiger! Als ik bijvoorbeeld zeg dat ik met vakantie in Toscane geweest ben, zegt zij: ‘O, daar ben ik al tig keer geweest.’ Ik vind haar gedrag ondermijnend en zo vergaat mij de lust om überhaupt nog iets te vertellen. Hoe vertel ik haar dat ik dit niet leuk vind zonder haar te kwetsen?

Vriendin overtroeft

Beste Vriendin overtroeft,

Dit is inderdaad razend irritant gedrag. Vertel het haar gewoon! Op een rustige, vriendelijke manier. Zeg tegen haar: ‘Sorry, ik heb een probleem met jouw manier van reageren’ en geef een voorbeeld. De voorbeelden die u hebt genoemd kunnen heel goed dienen. Het beste is om dit ter sprake te brengen, zodra ze het doet. Doe op het moment zelf een stapje achteruit in het gesprek en stel het aan de orde. Geef het voorbeeld en zeg erbij dat u zich lamgeslagen voelt en op achterstand gezet, als ze zo op uw onschuldige opmerkingen reageert. Zeg erbij dat u veronderstelt dat ze het vast niet expres doet, maar dat zij u het gevoel geeft een wedstrijd verloren te hebben. Maar u ligt helemaal niet competitie met haar! Vraag haar of ze ook op een andere manier kan reageren door bijvoorbeeld belangstelling te tonen of door u te laten uitpraten. Als u het rustig uitlegt, zal uw vriendin vast begrijpen waar het u om te doen is en beterschap beloven. Gaat ze opnieuw de fout in (wat zeker zal gebeuren), volstaat een klein verbaal porretje: ‘We spelen zonder troef, weet je nog?’

Artikelen in Vrienden en kennissen.

Gelabeld met .


Sappelen zonder uitzicht op winst

De economie schijnt uit het dal te geraken. Voor het volgend jaar belooft de regering een (minuscule) groei, waardoor burgers een beetje lastenverlichting tegemoet kunnen zien. Leuk natuurlijk, maar ik heb niet het idee dat er iets verandert in het algemene plaatje. Dat gaat niet zozeer over de groeiende kloof tussen rijk & arm (ook al is er veel te doen over Piketty), maar over organisatie en structuur van het werk zelf, en dan vooral de geleidelijke verdwijning van de vaste baan.

Dit is een enorm verschil met de crisis van de jaren tachtig. Enerzijds zag de situatie destijds er veel grimmiger uit: hoge werkloosheidscijfers, heel veel jongeren-met-een-uitkering die dachten dat ze nooit wat te doen zouden hebben, behalve in kraakpanden wonen en actie voeren. Anderzijds was er onder 30-plussers, het werkende deel van de bevolking, niet zo veel aan de hand. Zij die ontslagen werden in de maakindustrie genoten een redelijke uitkering en bovendien waren er allerlei sectoren in opkomst (de media, de zorg, in iets minder mate cultuur), waar mensen emplooi konden vinden, en toen de IT-sector eenmaal van de grond kwam, was het afgelopen met de werkloosheid. Achteraf gezien viel die jaren-tachtig-crisis reuze mee.

Dertig jaar geleden liep de scheidslijn tussen mensen-met-een-baan en mensen-zonder-baan. De baanlozen probeerden uit alle macht in het andere kamp te komen of stelden zich om ideologische redenen tevreden met hun basisinkomen. In deze tijd loopt de scheidslijn tussen mensen-met-werk en mensen-zonder-werk, en de laatste groep is zo ongeveer non-existent. Iedereen doet wel wat, zelfs thuisblijfmoeders hebben hun handen vol, maar de klassieke, vaste voltijdsbaan gaat eruit. Het werk is om te beginnen door de instroom van vrouwen op hun verzoek opgesplitst in deeltijdbaantjes, vervolgens losgewrikt van de grote bedrijven en de overheidsorganisaties en uitbesteed aan freelancers. Met als gevolg een afschuwelijke fragmentatie van de arbeidsmarkt.

Voor de werkgevers heeft het outsourcen van werk louter voordelen. Ze hoeven geen sociale premies meer te betalen. Wél brengt het binnen organisaties en bedrijven veel meer bureaucratie met zich mee, maar dat gedoe met roosters afstemmen en overleggen had je ook al met het groeiende aandeel parttime werk. Vooral vervelend voor de klanten, die liever één juf of meester voor de klas hebben staan dan twee of drie, die liever door dezelfde arts in het ziekenhuis te woord worden gestaan dan telkens weer een andere, die liever een vaste thuishulp over de vloer krijgen dan steeds weer een nieuw gezicht, maar hey, het gaat erom dat het werk correct en efficiënt wordt uitgevoerd. Wie het klusje opknapt doet er niet toe.
Klanten en afnemers schikken zich morrend, wat moeten ze anders? Maar de werkers zelf, afgestudeerde cultuurwetenschappers, filosofen, slavisten, bestuurskundigen, vertalers, Europakundigen, neuropsychologen, orthopedagogen, journalisten, bestudeerders van internationale betrekkingen, kunnen nergens een vaste baan vinden en worden noodgedwongen zzp’er.

Ik heb heel lang gedacht dat het niets uitmaakte wat je studeerde, omdat mensen toch vaker niet dan wel in hun eigen richting terecht kwamen, en als hoogopgeleide vond je altijd wel een baan, al was het maar bij een provinciale gemeente nota’s tikken. Niet meer dus, want dit werk wordt ook uitbesteed aan willige zzp’ers die weer even voor een week onder de pannen zijn. De lof van het zzp’erschap wordt gezongen met verwijzing naar onafhankelijkheid, werk kunnen doen waar je ‘blij’ van wordt en fijne combineerbaarheid met ouderlijke taken of mantelzorg. Van de bijkomende plicht om te acquireren, state of the art portfolio’s samen te stellen en via sociale media de zelfpromotie ter hand te nemen word ik al depressief, als ik er alleen maar aan denk. 21ste-eeuwse jongeren draaien er kennelijk hun hand niet voor om, maar het idee dat er nooit ergens een gewoon vast baantje in het verschiet ligt, desnoods parttime, moet hun toch ook wel eens naar de keel vliegen.

In de NRC-Next Carrière-bijlage afficheert theaterwetenschapper en neerlandica Alexandra Smith (38, ziet eruit als 28) zich als zzp’er op zoek naar vaste opdrachtgevers. Tien jaar sappelen en nog geen meter opgeschoven. Haar foto plus noodkreet deed me denken aan de bekende foto van de man met het sandwichbord uit de Grote Depressie: ‘Will work for food’. Al die zzp’ers zijn even zo vele mensen met deprimerende sandwichborden.

Artikelen in Column.


Aanspreekvorm voor schoonouders

Beste Beatrijs,

We hebben vier kinderen. Zij noemen ons niet bij onze voornaam, maar zeggen ‘pa, ma, moeders, vaders’. Onze twee oudsten zijn inmiddels getrouwd en de aangetrouwde kinderen willen ons, terecht, niet met vader of moeder aanspreken, want dat zijn wij niet. Wij willen niet dat ze ons bij de voornaam noemen. Dat vinden we te popi-jopi en dat doen onze eigen kinderen ook niet. We hebben voorgesteld dat ze ‘schoonvader en schoonmoeder’ zeggen, maar dat vinden ze ook niks. Gevolg is dat ze ‘Eh…’ zeggen of via handgebaren onze aandacht proberen te vangen. Nu we over deze kwestie in onze eigen omgeving wat rond vragen, blijken veel (schoon)ouders en hun aangetrouwde kinderen met ditzelfde probleem blijken te kampen. Kunt u aangetrouwd Nederland uit de brand helpen?

Wij zijn geen ‘Eh’

Beste Wij zijn geen ‘Eh’,

Aan de keus voor een aanspreekvorm gaat een andere keus vooraf: tutoyeren of niet. Die twee staan nauw met elkaar in verband. Wanneer schoonkinderen hun schoonouders met ‘u’ aanspreken hoort daar een beleefde aanspreekvorm bij: ‘meneer, mevrouw’. De combinatie ‘u’ en ‘Hans’ bekt niet lekker. Als de schoonkinderen u tutoyeren, dan past ‘meneer, mevrouw’ daar niet bij. Mensen die elkaar tutoyeren gebruiken doorgaans ook elkaars voornaam. Het een vloeit uit het ander voort. Dit geldt niet voor uw eigen kinderen, die u tutoyeren. Kinderen (klein of volwassen) zeggen ‘vader/ moeder/ pap(a)/ mam(a) of iets dergelijks, omdat ze een unieke relatie met hun ouders hebben. Als ouders bent u voor uw kinderen niet een van de vele andere volwassenen die zij met de voornaam aanspreken, maar u bent dé vader en dé moeder en de aanspreekvorm fungeert als eretitel.

Vooropgesteld dat uw schoonkinderen u toch al tutoyeren, is mijn advies: geef hun het groene licht voor uw voornaam. ‘Schoonvader/ schoonpa/ schoonpapa’ is ook mogelijk als aanspreekvorm, maar heeft iets plechtstatigs en omslachtigs. Tutoyeren plus voornaamgebruik is de laatste dertig jaar steeds meer de standaard tussen mensen van verschillende generaties die in elkaars persoonlijke cirkel verkeren en bij elkaar over de vloer komen.

Het komt in gesprekken helemaal niet zo vaak voor dat mensen elkaars voornaam gebruiken.

Wanneer u uw schoonkinderen toestemming geeft om uw voornaam te gebruiken, hoeft u overigens niet bang te zijn dat zij dat voortdurend zullen doen. Zeker wanneer hier gesteggel over is geweest, zal de drempel voor voornaamgebruik hoog blijven. Ze zullen nog steeds gewoon beginnen te praten zonder aanspreekvorm. Het komt in gesprekken nu eenmaal niet zo vaak voor dat mensen elkaars voornaam gebruiken. Tutoyeren is veel makkelijker dan iemand bij de voornaam aanspreken. Het hele probleem wordt opgelost, zodra er kleinkinderen zijn, want dan zult u merken dat de aanspreekvorm vanzelf ‘opa en oma’ wordt, omdat heel veel van de gesprekken en de interactie in het teken van de kleinkinderen staat. Uw schoonkinderen zullen het tegenover hun kinderen hebben over ‘opa en oma’ bij wie ze op bezoek gaan. Ook al bént u helemaal niet de oma en opa van uw schoonkinderen, zij zullen verassend weinig moeite hebben om u wel degelijk ‘oma en opa’ te noemen, zeker wanneer de kleinkinderen in de buurt zijn. Maar goed, dat is allemaal voor later.

Geef hun om te beginnen permissie om uw voornaam te gebruiken. Dat werkt als een intimiteitsverhogende handreiking, een gebaar dat de schoonkinderen op prijs zullen stellen, en tegelijk zullen zij maar heel mondjesmaat van dit voorrecht gebruik maken.

Artikelen in Aanspreken en begroeten, Schoonfamilie.

Gelabeld met .


Facebooknieuwtjes doorvertellen

Beste Beatrijs,

De zus van mijn vriend heeft onlangs mijn 20-jarige zoon als Facebook-vriend toegevoegd. Geen probleem, maar nu vertelt ze mij dingen over hem die ze via Facebook heeft vernomen. Soms weet ze die eerder dan ik. Mijn zoon is altijd heel open naar mij, maar ik vind het heel onprettig om via haar iets over hem te horen. Ik heb zelf geen Facebook en zou mij niet willen indringen in zijn leven. Ik ben bang dat ik mijn schoonzus kwets, als ik zeg dat ik geen ‘nieuwtjes’ over mijn eigen kind wil horen. Hoe kan ik dit oplossen?

Liever geen via-via nieuwtjes

Beste Liever geen via-via nieuwtjes,

Laat het gaan. Heel veel mensen zitten nu eenmaal op Facebook en ze accepteren ook allemaal vage kennissen als Facebookvriend. U kunt ervan uitgaan dat uw zoon geen intieme privé-informatie op z’n Facebookpagina zal zetten, waarvan hij niet wil dat iedereen het weet. Met andere woorden: er staat toch alleen maar onbelangrijke, irrelevante informatie op, die u als moeder echt niet allemaal hoeft te weten. Als iemand, bijvoorbeeld de zus van uw vriend, u vertelt dat uw zoon bij een rave helemaal uit z’n dak is gegaan, zegt u: ‘O, leuk, hoor’. Het is volstrekt onbenullige info en het gaat veel te ver om deze zus te vragen of ze de niksige nieuwtjes van uw zoon niet aan u wil vertellen omdat u het liever uit zijn eigen mond hoort. Leer er maar mee leven, want zo werkt het tegenwoordig.

Artikelen in Internet en e-mail, Ouders en volwassen kinderen.

Gelabeld met , .


Hij wil meer van mij dan leren koken

Beste Beatrijs,

Sinds een half jaar geef ik privé-kookles aan een weduwnaar. Een vriendelijke, bescheiden man, die nog erg vast zit aan zijn overleden vrouw. Het gaat hem niet zozeer om de kookles, maar meer om de gezelligheid en een luisterend oor. Hij ziet mij inmiddels als een vriendin en verlengstuk van zijn overleden vrouw. Ik zelf ervaar dat niet zo en wil het graag zakelijk houden. We zijn samen uit eten geweest en dat wil hij vaker doen. Wegens fysieke ongemakken kon ik even niet komen koken, waarop hij mailde dat hij graag op ziekenbezoek wilde komen. Ik heb geen zin in intiemere betrekkingen, maar weet niet hoe ik dat tegen hem moet zeggen zonder hem te kwetsen.

Alleen kookles

Beste Alleen kookles,

Deze man wil een zakelijke relatie ombuigen in een vriendschappelijke, misschien zelfs wel een romantische verhouding. U hebt daar geen zin in, dus dan is duidelijkheid het beste. Uzelf op de vlakte houden met smoesjes is op den duur kwetsender. Zeg tegen hem: ‘Sorry, Ferdinand, ik zie ons contact als een puur zakelijke overeenkomst en ik heb geen behoefte om het persoonlijker te maken. Ik ben er voor de techniek van haché en coq au vin.’ Als u vermoedt dat hij überhaupt niet in leren koken is geïnteresseerd, maar dat het hem vooral om vrouwelijk gezelschap en een luisterend oor is te doen, kunt u beter helemaal met de kookles ophouden en het contact verbreken. Het heeft geen zin om door te modderen op ongelijke voet met een onderwijsverhouding als dekmantel.

Artikelen in Liefde en relaties.

Gelabeld met , .


Twintigers zijn te jong voor bekommernis voor hun ouders

Elitaire lezers, een groep waartoe ik mezelf ook reken, hebben moeite met bestsellers. Als ik van een boek overal grote stapels zie liggen, denk ik al snel dat het niks kan wezen. Te veel massa-appeal, te gelikt, te commercieel. Een beetje zoals vroeger de ware muziekliefhebber naar underground luisterde en z’n neus ophaalde voor de hitparade. Merkwaardig genoeg gaat dat mechanisme niet op, wanneer ik toevallig aan het begin zit van een populariteitsgolf en enthousiast ben over een boek van een onbekende schrijver dat pas daarna een bestseller wordt. Dan vind ik het verkoopsucces alleen maar terecht, ook omdat het leuker is iets op eigen kracht ontdekt te hebben dan alleen maar braaf op te souperen wat zich aandient.

Zo heb ik de afgelopen jaren het fenomeen Knausgard met enig dedain aan me voorbij laten gaan. De stapels in de inloopboekwinkels waren te hoog, er verschenen voortdurend nieuwe delen met diezelfde markante kop erop en uit de achtergrondartikelen in de pers wist ik allang waar de serie over ging: de obsessief gedetailleerde herinneringen van een Noorse schrijver die overhoop lag met zijn jeugd, zijn vader, zijn liefdes en zijn eigen rol als vader. Iets in de sfeer van Het bureau van Voskuil, dacht ik, een kelk die ik destijds ook al liet passeren wegens te veel bladzijden en de veronderstelling van een te grote overlap met het leven zelf.

Maar goed. Tijdens een vakantieweek met een uitgebreid gezelschap van familie en aanwaaiende bekenden dat er een sport van maakt om te midden van alle drukte en maaltijdvoorbereidingen hap snap elkaars meegebrachte boeken te lezen, kwam ik ten slotte (‘Wat? Heb je die niet gelezen? Hier, neem mijn boek, ik ben zo benieuwd wat je ervan vindt!’) toch tot Knausgard, deel 1. Het was in ieder geval lectuur die zich makkelijk liet doornemen tegen de achtergrond van Risk spelende studenten, puzzelende bejaarden en kletsende vijftigers. Veel lijn zit er niet in Mijn strijd – Vader. Het meandert maar door op een niet-chronologische manier van de ene minutieus beschreven herinnering naar de volgende. Je kunt makkelijk allerlei pagina’s overslaan zonder iets essentieels te missen.

Mijn vooroordelen werden aanvankelijk ruim bevestigd: er staat heel veel overbodigs in en waarom het boek eigenlijk ‘Vader’ heette was me op de helft ervan nog steeds niet duidelijk, wanneer de schrijver tientallen pagina’s heeft besteed aan een krankzinnige, maar wel amusante herinnering hoe hij als 16-jarige samen met een vriend een herculisch plan ten uitvoer brengt om op Oudjaarsavond stiekem een grote hoeveelheid (voor minderjarigen verboden) flessen bier aan te schaffen, te verbergen en vervolgens in een barre tocht door de sneeuw te transporteren. Vader is niet bepaald een warme opvoeder, maar ook weer geen beestmens. Streng, afstandelijk, ongenaakbaar, maar als veroorzaker van jeugdtrauma’s zijn er wel ergere.

De werkelijke inslag van de vader komt pas veel later als die op driekwart van het boek overlijdt en de zoon, inmiddels 25 en allang het huis uit, samen met zijn oudere broer zijn leven moet afhechten. De vader, gescheiden en alcoholist geworden, heeft de laatste jaren van zijn leven in totale verloedering doorgebracht in het huis van zijn eigen moeder (de oma van de schrijver). De beschrijving van de puinhoop die wordt aangetroffen en de manhaftige schoonmaakpogingen is ijzingwekkend en geeft het failliet van de vader-zoon-relatie.

Hoe is het mogelijk dat kinderen (de schrijver, maar ook zijn broer) hun vader plus hun oma jarenlang zo laten afglijden de afgrond in zonder op één moment in te grijpen? Scandinavisch individualisme misschien, waar familiebanden er niet zo toe doe en waar mensen zich graag in hun eentje volgieten. Toen ik het boek uit had, las ik in de Volkskrant over een onderzoek, waaruit naar voren kwam dat oude ouders meer gebaat zijn bij dochters dan bij zonen als het op mantelzorg aankwam. Als het aan zonen lag, staken die geen vinger uit naar hulpbehoevende ouders. Even leek het lot van pa Knausgard een geval van pech. Dochters hadden hem niet in zijn eigen vuil laten omkomen. Maar dat is een onzinhypothese. Het gaat niet om sekse, maar om leeftijd.

Twintigers hebben geen oog voor de zwakheid van hun ouders. Bij de afzichtelijke troep die de zoon aantreft doorloopt hij een heel spectrum van sentimenten, maar zelfverwijt zit daar niet bij. Dat is knap gezien van Knausgard. Op het nippertje toch nog een goed boek.

Artikelen in Column.


Staren naar homo’s

Beste Beatrijs,

Net als veel heterostellen lopen mijn vriend en ik vaak hand in hand over straat. Wij vinden het belangrijk om in het openbaar voor onze liefde uit te kunnen komen. Niemand die ons daar verder op afrekent. We hebben geen last van anti-homo-uitingen. Toch is er een onvermijdelijke, maar daardoor niet minder irritante, bijkomstigheid: gestaar. Véél gestaar.

We begrijpen wel dat mensen het feit dat er twee jonge jongens hand in hand over straat lopen even in zich opnemen en het misschien ‘schattig’ of ‘bijzonder’ vinden. Maar soms gaat het ons te ver. Neem het volgende tafereel:

– Twee jongens in semi-intieme positie (handen verstrengeld, tegen elkaar aan leunen) op een zitplaats (trein/bankje in het park/restaurant).
– Persoon op een nabijgelegen zitplaats, die vertederd/ gebiologeerd/ verbaasd (en vaak eindeloos lang) naar de twee jongens kijkt.
– De jongens hebben door dat de persoon hen bestudeert, maar telkens als één van hen zijn hoofd in zijn/haar richting draait, wendt diegene de blik af, om na verloop van tijd eerst voorzichtig, dan weer pontificaal, de staarsessie te hervatten.

Wij zijn geen toeristische attractie!

Op straat kunnen we gewoon doorlopen. Maar als we ergens zitten, is het bijzonder ergerlijk als je zorgvuldig gescreend wordt door iemand die kijkt alsof hij Mick Jagger de salsa ziet dansen met een golden retriever. Negeren helpt niet. We hebben een standaard strenge/ semi-originele slagzin nodig om zulke types erop te wijzen dat we geen toeristische attractie zijn. Heeft u suggesties?

Kijk voor je!

Beste Kijk voor je,

Staren is een etiquettaire overtreding van de bovenste plank. Hoe vervelend het ook is om hier het slachtoffer van te zijn, u kunt het maar beter negeren. Onbekenden op hun nummer zetten door hen verbaal tot de orde te roepen leidt ofwel tot glasharde ontkenning of alsnog tot agressie. In ieder geval niet tot schuldbewuste excuses. Bovendien helpt een vermaning niet, want een dag later komt u weer nieuwe onbekenden tegen die hetzelfde gedrag vertonen en kunt u weer opnieuw beginnen.

Gehandicapten, mensen met gehandicapte kinderen of extreem dikke personen hebben evenveel last van ongegeneerd staren als u. Allemaal heel spijtig hoe de ouders van de starende medemens hebben gefaald in de opvoeding, maar het is onbegonnen werk om de rest van de wereld elementaire beleefdheid bij te brengen. Hoe minder aandacht u eraan besteedt, hoe minder last u ervan hebt. Concentreer u op elkaar in plaats van op de blikken van de buitenwereld.

U vraagt om een semi-originele verbale reactie om dit gedrag af te straffen. Uw eigen vondst ‘Zijn wij een toeristische attractie?’ lijkt me adequaat genoeg, maar houd in gedachten dat elke ‘Heb ik wat van je aan?’-interventie, ook de zogenaamd goedmoedig humoristische (‘Vindt u het interessant?’, ‘Nog nooit homo’s gezien?’, ‘Kunt u het goed zien of moeten we dichterbij komen zitten?’) alleen maar onprettige escalatie geeft en bovendien boter aan de galg is. Leren leven met hinderlijke blikken kost minder inspanning dan een aanhoudende stormloop ertegen.

Artikelen in Het publieke domein, Traditionele etiquette.

Gelabeld met , , .