Spring naar inhoud


Niet beter maar meer personeel is nodig

‘Waardigheid en trots’. Zo kwalificeerde staatssecretaris Martin van Rijn tegenover Eva Jinek de bedoeling van zijn nieuwe plannen voor de verpleeghuiszorg. De focus komt te liggen op de wensen van patiënt en mantelzorgers, waarbij het punt waardigheid toebedacht is aan de patiënten, terwijl trots (op de bereikte resultaten) bestemd is voor het verplegend personeel. Oftewel alles moet beter.

Het klinkt goed, hoor, net als de vele andere bullet points in Van Rijns opsomming: meer transparantie, betere klachtenafwikkeling, betere inspectie, beter geschoold personeel, leren van goede voorbeelden. Toch blijft dat begrip waardigheid me als een haringgraatje in de keel steken. Het verpleeghuis is geen ambiance die bol staat van de waardigheid. Moet je er dan wel naar streven om juist dat aspect te verhogen of te bevorderen?

Gebrek aan waardigheid is de belangrijkste reden waarom patiënten überhaupt in het verpleeghuis zitten. Het definieert hen als het ware. Wie niet meer in staat is om de normale conventies voor het dagelijks leven en het intermenselijk verkeer te volgen vertoont een gebrek aan waardigheid. Het is om te beginnen al schaamtevol dat het geheugen faalt en dat gesprekken in toenemende mate verworden tot struikelblokken zonder inhoud. Maar het vervolg: ’s nachts in pyjama door het huis of op straat dwalen, niet meer met bestek kunnen eten, gevoerd moeten worden, incontinent zijn, slecht zittende kleding dragen, op verkeerde momenten kleding uit- of aantrekken, niet meer in staat zijn tot persoonlijke verzorging (en ook niet willen dat iemand anders het doet), stemmingsstoornissen, onbeheerste en inadequate emoties, is helemaal moeilijk om aan te zien zijn en nog moeilijker om mee om te gaan.

Het is precies het soort gedrag, waarvan partners/ huisgenoten op den duur de last niet meer kunnen dragen en waarom de patiënt geïnstitutionaliseerd wordt. Die waardigheid was de laatste jaren thuis ook al ver te zoeken, dus waarom zou die in het verpleeghuis ineens weer op moeten duiken? Daar komt bij dat waardigheid vooral een kwestie van perceptie is. Niet het waargenomen object hecht aan waardigheid, het is de toeschouwer die het belangrijk vindt. En die legt bovendien wisselende standaarden aan. Een toeschouwer aan de zijlijn bij een crèche zal ook weinig waardigheid ontdekken in de krioelende massa, maar dan stoort het niet, omdat het inherent is aan de situatie.

Toeschouwers in het verpleeghuis (partners, familieleden, buitenstaanders) kunnen zich er beter bij neerleggen dat ze altijd vormen van onwaardigheid zullen meemaken. Er valt ten slotte weinig waardigs te ontdekken aan personen die met hun hoofd op tafel liggen te suffen, terwijl dat gedrag tenminste niet hinderlijk is. Onwaardigheid accepteren betekent ook accepteren dat ongelukjes onvermijdelijk zijn. In een crèche gebeuren voortdurend ongelukjes met poep en plas. Daar doet niemand moeilijk over, want het hoort bij de leeftijd. Incontinentieongelukjes horen bij vergevorderde dementie, net als zoekgeraakte kleding of angstproblemen. Als een verzorgster net langs is geweest om een en ander op de rails te zetten, kan er vijf minuten later iets fout gaan. Dit soort incidenten, die in de media hoog worden opgenomen, is geen gevolg van falende verpleeghuiszorg, hooguit van te weinig personeel.

Daarom is Van Rijns plan voor beter geschoolde krachten overbodig. Dementen zijn niet gebaat bij hooggeschoold personeel, omdat hun problemen niet ingewikkeld, maar omgevingsbelastend zijn. Patiënten hebben aandacht nodig: begeleiders die op hen letten, hen helpen, hen troosten, geruststellen, grapjes maken en hen tactvol overreden (bijvoorbeeld om te douchen). Hoe beter de verzorgers de individuele patiënten kennen en hoe meer er opgelet en ingespeeld wordt, hoe minder flagrante ongelukjes. Inzetten op meer laaggeschoold personeel zou wel eens beter kunnen werken dan het niveau van de scholing opvoeren. Tenslotte hebben partners/mantelzorgers dit werk jarenlang gedaan, en die waren er ook niet voor opgeleid.

Artikelen in Column.


Huisgenoot ruimt niet op

Beste Beatrijs,

We wonen met ons drieën (twee meisjes en een jongen) in een studentenappartement. Het andere meisje en ik zorgen dat het huis behoorlijk aan kant is, terwijl onze huisgenoot zijn aandeel van de taken verzaakt. Vaak moeten wij zijn troep opruimen. Als hij ziet dat de vuilniszak vol is, legt hij de rotzooi ernaast. Hij heeft nog nooit de wc schoongemaakt. Hij is best gezellig in de omgang, maar hij doet niks. Meerdere malen hebben wij hem er, eerst beleefd, later feller, op gewezen dat hij ook moet opruimen. Heel soms voert hij iets uit, als wij hem daar heel direct om vragen, maar verder laat hij het afweten. Meestal komt het erop neer dat wij ook zijn borden en pannen afwassen. Een rooster met taken helpt niet. Hij zegt dan dat hij het druk heeft met zijn studie, en laat met gemak zes dagen de afwas op het aanrecht staan. De troep zo groot laten worden dat hij iets onderneemt werkt ook niet, want dan kunnen wij niet koken. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat onze huisgenoot zijn aandeel in het huishouden op zich neemt zonder dat onze verstandhouding verslechtert?

Wonen in een bende

Beste Wonen in een bende,

U hebt uw huisgenoot er diverse keren op aangesproken. U hebt hem eerst beleefd, daarna wat feller, gewezen op zijn verantwoordelijkheid. U hebt roosters gemaakt, de troep voor hem laten liggen, alles zonder effect. Wat in studentenhuizen wel eens wordt toegepast wanneer huisgenoten niet opruimen: alle vuile borden en pannen bij die persoon op de kamer zetten. Of voor z’n deur opstapelen, wanneer hij zijn kamer afsluit. Consequent elke dag.
In dat geval zouden de andere twee wat extra potten en pannen moeten aanschaffen om zelf te kunnen koken, als alles vies is. Die moet u vervolgens bewaren in uw eigen kamer, anders maakt huisgenoot zich er ook van meester. Dit zal ruzie geven, want uw huisgenoot vindt het natuurlijk niet leuk als jullie de troep elke dag bij hem op z’n kamer deponeren. Maar ja, die ruzie moet er dan maar van komen, want iets anders werkt tot nu toe niet.

Zelfs dit paardenmiddel is maar een deel van de oplossing, want volle vuilniszakken wegwerken of sanitair en keuken schoonmaken zal er vermoedelijk nog steeds niet van komen. U beschrijft hem als iemand die geen oog heeft voor het gemeenschappelijk belang en verder ook betrekkelijk ongeïnteresseerd is in wat andere mensen van hem denken. Dat zijn lastige mensen om mee samen te wonen. Het is onmogelijk om iemand te dwingen een afwaskwast of dweil ter hand te nemen, als die persoon botweg weigert. U kunt hem moeilijk onder schot houden. Al met al een woonsituatie die vervelend genoeg is om uit te kijken naar iets anders. Verhuizen lijkt de enige uitweg.

Artikelen in Vrienden en kennissen.

Gelabeld met , , .


Chatten met onbekenden

Beste Beatrijs,

Sinds een aantal jaren heb ik een relatie met een lieve man die ik via een datingsite heb leren kennen. Vorige maand kwam ik er achter dat hij al weken met een andere vrouw chat die hij verder nog nooit gezien heeft. Hij beloofde dat hij ermee zou stoppen, maar hij gaat er gewoon mee door. Hij zegt dat ze alleen over koetjes en kalfjes praten, maar ik mag de gesprekken niet lezen. Wat moet ik hier nu mee?

Vriend chat

Beste Vriend chat,

Op zichzelf is het niet raar dat uw vriend u de gesprekken die hij met anderen voert niet laat lezen. Brieven, e-mails, chatgesprekken enzovoort zijn privé. Het is heel vervelend als geliefden willen meelezen bij elk snippertje tekst dat de ander ontvangt of verstuurt. Je zou elkaar gewoon moeten vertrouwen in de contacten met anderen. Dat neemt niet weg dat er best iets aan de hand zou kunnen zijn in uw relatie. Het chatten van uw vriend met een onbekende vrouw heeft uw wantrouwen gewekt. Uw vriend heeft zich niet aan zijn belofte gehouden, wat bij u de indruk versterkt dat het contact minder onschuldig is dan hij doet voorkomen. Bespreek uw wantrouwen nogmaals en deze keer wat dringender. Als hij uw onbehagen weg wuift, vindt hij zijn eigen behoefte aan contact met onbekende vrouwen belangrijker dan uw behoefte aan een toegewijde man. Aan u om vervolgens de consequenties te trekken.

Artikelen in Internet en e-mail, Liefde en relaties, Vreemdgaan.


Ongelijke aanspreekvorm

Beste Beatrijs,

Ik heb vanaf zijn zesde gezorgd voor de zoon uit het eerste huwelijk van mijn man. Mijn stiefzoon heeft mij altijd bij mijn voornaam genoemd, prima natuurlijk. Sinds een paar jaar woont hij zelfstandig. Hij heeft al een tijdje een vriendin die mijn man met ‘pappa’ aanspreekt en mij met mijn voornaam. Ik voel mij daar niet prettig bij. Mijn man vindt dit geen punt, maar ik vind het raar om dat verschil te maken tussen ons. Later ben ik dan ook geen oma voor hun kinderen. Kan ik hier wat van zeggen?

Tweederangs schoonmoeder

Beste Tweederangs schoonmoeder,

Door uw man ‘pappa’ te noemen en u bij de voornaam aan te spreken discrimineert uw mogelijk aanstaande schoondochter. Zij doet vertrouwelijker en intiemer tegen haar schoonvader dan tegen haar schoonmoeder. Voor uw stiefzoon bent u niet zijn moeder, dus het is logisch dat hij u bij de voornaam noemt. Maar voor uw schoondochter is het irrelevant dat u ‘alleen maar’ de stiefmoeder bent. Voor haar bent u in de eerste plaats de helft van een echtpaar, en wel het echtpaar dat haar vriend heeft opgevoed. Het wringt als een gast die in de huiskamer een kopje thee drinkt onderscheid maakt tussen de twee helften van een stel: de ene persoon dichtbij haalt en de ander op afstand zet.

Het is op zichzelf al merkwaardig dat schoondochter uw man ‘pappa’ noemt. Dat gebeurt bijna nooit meer. Geliefden van zoons of dochters hebben hun eigen ouders en zijn er juist afkerig van om hun schoonouders met (een variant van) ‘vader en moeder’ aan te spreken. Wat deze vriendin beweegt is onduidelijk. Laat uw man degene zijn die deze situatie corrigeert. Hij kan tegen zijn schoondochter zeggen: ‘Laten we afspreken dat je me in het vervolg bij de voornaam noemt. Voor jou zijn wij (en daarmee sluit hij u nadrukkelijk in) Joop en Elly’. Dring er bij op uw man op aan dat hij dat pappa-gedoe de kop indrukt, ook al boeit de kwestie hem niet, want hij zou het niet over zijn kant moeten laten gaan dat u op een subtiele manier wordt buitengesloten. Bij een gelijkwaardige aanspreektitel lost de opa & oma kwestie zich vanzelf op.

Artikelen in Aanspreken en begroeten, Schoonfamilie.

Gelabeld met .


Vergane glorie

Neerstortende kolossen vormen een onprettige aanblik. Zo ook het wankelen van V&D op de rand van de afgrond. Het faillissement van de winkelketen lijkt onontkoombaar, nu het punt is bereikt dat er rechtszaken gevoerd moeten worden over het betalen van de huur en de afgekondigde salarisvermindering van het personeel. Een bedrijf dat zo diep in de financiële ellende zit dat het niet meer kan voldoen aan elementaire betalingsverplichtingen komt er nooit meer bovenop.

V&D zit natuurlijk al veel langer in de lift naar beneden. De enige populaire afdeling is het restaurant. Sinds de eeuwwisseling staat het warenhuis bekend als saai, duf, passé en ongeïnspireerd. Te goedkoop voor een luxe-gevoel, te duur voor armoedzaaiers, te non-descript voor wie zich wil profileren (iedereen). Volgens deskundigen is het creëren van beleving de enige manier om klanten te verleiden een voet over de drempel zetten. Valt er niets te beleven, dan blijven mensen liever thuis om hun spullen zo goedkoop mogelijk op internet uit te zoeken en gratis te laten thuis bezorgen.

Het gebrek aan winkelbeleving is precies de reden waarom ik me af en toe bij V&D vervoeg. Het is er vooral een oase van rust. Er lopen weinig andere klanten rond, er klinkt geen harde muziek en het personeel bemoeit zich niet met me, tenzij ik zelf een vraag stel. Vooral bij het passen van kleding is het ontbreken van actieve service een zegen. In kleine kledingwinkels valt de ‘Kan ik u helpen?’ vraag terug te serveren met ‘Ik kijk alleen even rond’, maar heb ik eenmaal achter het gordijn iets aangetrokken, word ik langzaam ingesponnen: ‘O, die jurk staat u enig! Ik heb dat truitje ook in taupe, wilt u dat ook even passen? Kijk, probeer deze ceintuur eens, dan krijgt de outfit meteen een bijzonder accent.’ Misschien schieten de verkoopsters in de roos met hun aanbevelingen en suggesties, ik kan het slecht beoordelen, maar misschien doen ze alleen maar hun best om zo veel mogelijk spullen te verkopen. Hoe dan ook, ik word vreselijk zenuwachtig van de service en in warenhuizen heb je daar verder geen last van, omdat je met rust wordt gelaten in het pashokje.

V&D heeft zeker geen geweldige kledingafdeling. Nogal lelijk, nogal duf dan wel modieus op een manier die er net naast zit, voor zo ver ik daar enig zicht op heb. Ik word niet opgewekt van ronddwalen bij de Damesmode van V&D. Maar het is wel de helft goedkoper dan het aanbod in De Bijenkorf, waar ik de laatste jaren ook al niet vrolijk van werd. Het zoeken naar kleding die er voor mij mee door kan is op welke locatie dan ook zo’n deprimerend klusje dat ik net zo goed bij de relatief goedkope V&D terecht kan. Zo heb ik daar voor weinig geld een prima bermudabroek zonder toeters en bellen voor de vakantie gescoord. Nergens anders te krijgen. En een echt mooi, junglegroen dekbedovertrek met papegaaien, een beetje à la le Douanier Rousseau.

Ik begrijp best dat V&D geen toekomst heeft, omdat jongeren er niet gezien willen worden en iedereen liever via internet koopt. Hoewel de afdeling handschoenen, portemonnees, tassen en sjaals helemaal geen slecht aanbod heeft. Wat ik het meest zal missen is die typische V&D-sfeer van heel veel spullen te koop die je allemaal niet wil hebben, maar waarvan het toch prettig is dat ze uitgestald liggen. Dit is waar de bewoners van het vroegere Oostblok naar verlangden en nu haalt iedereen z’n neus ervoor op. Het is rustgevend om hier onthecht rond te lopen, vergelijkbaar met het luisteren naar ambient music. Mijn winkelbeleving bestaat uit vergane glorie, spijtig genoeg heeft die geen commerciële potentie.

Artikelen in Column.


Ze hoort niet bij ons groepje

Beste Beatrijs,

Ik ben een vrouw van halverwege de twintig en heb op mijn werk leuke collega’s. We gaan regelmatig na het werk iets drinken of samen eten. Sinds een half jaar is er een nieuwe collega die ik niet echt leuk vind. Ze lijkt onzeker over zichzelf, wat ze compenseert met aandacht trekken over dure spullen die ze heeft gekocht en als ze te veel gedronken heeft, gaat ze opzichtig flirten met de mannelijke collega’s. Een eigen mening heeft ze niet, ze praat iedereen naar de mond. Als ze hoort dat we hebben afgesproken om samen uit te gaan, zegt ze: ‘O, gezellig, ik ga mee!’ Ze bemoeit zich constant met ‘ons groepje’. Nu heb ik voorzichtig één op één gepolst wat anderen van haar vinden. Ze vinden haar wel aardig maar ze vinden het niet leuk dat ze altijd overal bij wil zijn. Dus hebben we afgesproken om de volgende keer ‘stiekem’ uit te gaan zodat ze niet mee gaat. Daarna willen wij het ook stil houden op het werk, zodat we haar geen pijn doen of zich buitengesloten zou voelen. Mogen wij haar op deze manier buitensluiten of kan dit echt niet en moeten wij eerlijk zijn tegen haar?

Collega dringt zich op

Beste Collega dringt zich op,

Er bestaat verschil tussen een persoonlijke vriendenkring en de vriendschappelijke omgang met collega’s van het werk. Voor persoonlijke vrienden gelden scherpere selectiecriteria. Aan het werk gelieerde vriendenclubjes zijn vrijblijvender, oppervlakkiger en opener voor buitenstaanders. Je komt er makkelijk in en je bent er even makkelijk weer uit (als je baan ophoudt bijvoorbeeld). Elke werkkring kent het verschijnsel van de in-groep: collega’s die het leuk vinden met elkaar rond te hangen, te drinken en te roddelen over het werk. Er zijn ook altijd collega’s die zich hiervan afzijdig houden, omdat ze andere prioriteiten voor hun vrije tijd hebben. En dan heb je de collega’s die graag bij de in-groep willen horen.

Ergens bij willen horen is een elementaire menselijke behoefte. Het is behoorlijk onsympathiek om deze vrouw bewust uit te sluiten en achter haar rug om dingen af te spreken. Door iedereen apart naar hun mening over haar te vragen bent u eigenlijk een beetje bezig met stemming kweken tegen haar. Op het werk zouden mensen in principe welkom moeten zijn om mee te doen aan de gezelligheid buiten werktijden, ook al zijn ze een beetje irritant en heb je persoonlijk geen grote sympathie voor ze. Het is nu eenmaal nooit zo dat iedereen in een groep het even goed met elkaar kan vinden. Zolang mensen niet rechtstreeks kwaadaardig zijn of een rotstreek hebben geleverd, bestaat er geen goede grond om hen uit te sluiten. Wat voor last hebt u er nou precies van dat er iemand bij zit, op wie u een beetje neerkijkt? Het zijn maar collega’s in dat café of restaurant – niet uw dierbaarste intimi.

Het zou u niet zo veel moeten kunnen schelen, omdat de aanwezigheid van een irritant persoon te midden van een groep mensen die u wél leuk vindt au fond niet zo belangrijk is. Binnen een prettige werksfeer weegt de ergernis die u ondervindt als zij er ook bij is, minder zwaar dan haar gevoelens van pijn, wanneer ze merkt dat ze buitengesloten wordt. Verdraag haar!

Artikelen in Collega's.

Gelabeld met .


Snuffelende vriendin

Beste Beatrijs,

Sinds kort bezit ik een eigen woning die ik met zorg heb ingericht. Ik ben blij dat mijn gasten zich er ook thuis voelen. Mijn probleem is dat mijn beste vriendin zich er te goed thuis voelt. Nieuwsgierig trekt ze al mijn kastjes open. Ik ervaar dit als een bedreiging van mijn persoonlijke ruimte. Ik voel me niet meer vrij om haar te ontvangen. Wat moet ik doen om onze vriendschap te behouden met een waardige distantie?

Vriendin gaat te ver

Beste Vriendin gaat te ver,

Bij een volgend bezoek zal uw huis waarschijnlijk geen geheimen meer kennen voor uw vriendin. Hoe vaak wil iemand het deksel van een dekenkist optillen, bureaulades opentrekken en kijken wat er in de drankkast staat? Mocht ze haar snuffelactiviteiten hervatten, kunt u eerst proberen haar af te leiden door haar een zitplaats toe te wijzen en een gesprek te beginnen. Mislukt uw afleidingspoging, vraag dan vriendelijk aan uw vriendin of ze wil afzien van kastjes en deurtjes openmaken, omdat u zich daar ongemakkelijk onder voelt. Dit is even een confronterende opmerking, maar uw vriendin overschrijdt de grenzen van uw privacy en dat gedrag moet u een halt toeroepen. Waarschijnlijk zal zij zich excuseren. Als zij uw punt niet begrijpt, kunt u het nader uitleggen door te zeggen dat u het zelf nooit in uw hoofd zou halen om in haar huis onuitgenodigd de inhoud van haar linnenkast te inspecteren.

Artikelen in Vrienden en kennissen.

Gelabeld met .


Hoestende buurman

Beste Beatrijs,

Vorig jaar ben ik verhuisd naar een nieuwe woning, gelegen in een volksbuurt: grote gezinnen, in de zomer leeft men op straat, André Hazes uit de autospeakers, et cetera. Best gezellig en het geeft me als alleenstaande vrouw ook wel een veilig gevoel. Het enige minpunt is de buurman. Elke ochtend laat hij zijn hond uit. Zodra hij een paar stappen buiten is, staat hij stil en begint hartstochtelijk te rochelen, te hoesten, en slijm omhoog te halen. Vanuit het diepste van zijn binnenste, met lange halen en veel kokhalsgeluiden, en het duurt soms wel vijf minuten. Dit recht voor mijn raam (enkel glas), wat me het gevoel geeft dat hij naast mijn bed staat. Elke ochtend om exact 06:45 uur word ik hier walgend wakker van. Kan ik hem hier op aanspreken? Vragen of hij op het veldje verderop kan gaan staan hoesten?

Wakker door gerochel

Beste Wakker door gerochel,

U kunt uw buurman aanspreken, maar alleen als u een vriendelijke over-en-weer relatie met hem hebt. Dus niet als u nog nooit een woord met hem gewisseld hebt. Bouw eerst een burenrelatie op: nodig hem uit voor koffie, bespreek koetjes en kalfjes, vertel iets over uzelf, vraag naar zijn leven, bied hulp aan voor in geval van nood. Wanneer deze prettige relatie zich gevestigd heeft (dat kan al na een half uurtje het geval zijn), slaat u toe, en u begint over zijn hoestpartijen voor uw raam ’s ochtends vroeg. Laat hierbij uw walging ongenoemd, bespreek alleen het feit dat u er wakker van wordt. Vraag hem vriendelijk of het ook een eindje verderop kan. Als de relatie oké is, zal hij u ter wille zijn.

Artikelen in Buren.


Het dubbele frame van de satire

In de nasleep van de aanslagen in Parijs werd er ook een discussie gevoerd over zelfcensuur. Vrijheid van meningsuiting goed en wel, maar andere mensen tot op het bot beledigen getuigt niet van beschaafde omgangsvormen en het kan geen kwaad om de toon van die vrije mening een beetje te matigen, aldus de voorstanders van zelfcensuur. Daar tegenover staat het principiële kamp pal voor de verworvenheden van de Verlichting, inclusief het recht de ander verbaal of per smakeloos beeld te ontrieven.

Het was een onaangename discussie, omdat die voortkwam uit de vraag ‘Hebben ze (die cartoonisten) het er eigenlijk niet een beetje naar gemaakt?’ Een stelling die overigens door niemand werd beaamd, zoals ook niemand destijds de moord op Theo van Gogh in de sfeer van ‘zijn verdiende loon’ wilde trekken. Maar toch: de discussie gaat wel degelijk over de vraag of er iets is wat mensen kunnen vermijden om terroristische explosies te voorkomen. ‘Als lama boos is, hij altijd zo doen’ (spugen – Kuifje en de zonnetempel) denk ik dan meteen.

Er is niets verkeerd aan zelfcensuur. In het dagelijkse leven, op het werk, in de politiek, bij contacten tussen verschillende culturen, tussen machtigen en minder machtigen praktiseert iedereen voortdurend zelfcensuur om de zaak een beetje leefbaar te houden. Zonder beschermende maskerades en leugenachtige beleefdheden zou het leven een aaneenschakeling van verwondingen zijn. Ontsnapping is mogelijk op persoonlijk niveau tussen verwante zielen en in de kunst. Kunst in de meest brede zin des woords, elke vorm van expressie voor een publiek, vormt een vrijplaats omdat het niet de werkelijkheid ís maar er alleen over gáát. Kunst is per definitie meta. Geweld is afschuwelijk, maar er zijn prachtige schilderijen gemaakt over de roof der Sabijnse maagden. Literatuur drijft op verbeelding van het ongemakkelijke, het pijnlijke en het onzegbare.

Vaak blijft de grappigheid achter bij de pijnlijkheid, dat is een beetje de makke van de niche.

Kunst plaatst een lijstje om de werkelijkheid. De ene keer een rechtstreekse afdruk, zoals een foto of het blik Campbell’s soep van Andy Warhol, de andere keer heeft een kunstenaar er van alles aan afgehakt, omgevormd of bij verzonnen, maar die lijst eromheen is essentieel. Het kader stuurt de blik. Degene die de kunstuiting ondergaat weet dat hij niet met de werkelijkheid te maken heeft, maar met een geslaagde of minder geslaagde verbeelding daarvan.
Binnen het domein van de kunst heeft satire nog een extra lijst om zich heen, niet alleen het frame van de verbeelding, maar ook nog het frame van de verzengende, soms ronduit nihilistische spot. Vaak blijft de grappigheid achter bij de pijnlijkheid, dat is een beetje de makke van de niche. Humor is moeilijker dan de houwdegen hanteren.

Het probleem van zelfcensuur in de algemene, niet-satirisch bedoelde kunsten is dat een kunstenaar van tevoren moeilijk kan bepalen hoe een en ander ontvangen zal worden. Als Salman Rushdie had geweten dat zijn roman De duivelsverzen hem een levenslange fatwa zou bezorgen, had hij er waarschijnlijk van afgezien om net dat ene boek te schrijven, maar hij was zich van geen gevaar bewust.

Satirici hebben binnen hun tweede frame duidelijker provocatieve intenties die zij mogelijk zelf de kop in kunnen drukken, maar juist de satire beschikt over oneindig veel mogelijkheden om beladen onderwerpen zogenaamd te vermijden door er een andere codering aan te geven. Neem de pestkoppen op school die een verbod kregen om een medeleerling voor ‘varken’ uit te schelden en daarna alleen nog maar minieme knorgeluidjes maakten in haar nabijheid. Oké, we mogen de profeet Mohammed niet meer afbeelden? Komt in orde. We tekenen nu alleen nog maar een bebaarde figuur met een kromzwaard en die heet Hammie, zie je wel, het staat duidelijk op z’n jurk. Hammie is totaal iemand anders dan Mohammed. Zelfcensuur in de kunsten? Onbegonnen werk.

Artikelen in Column.