Spring naar inhoud


Spelletjes

Beatrijs Ritsema

Mijn kinderen hebben geluk dat ik tenminste van spelletjes houd. Je hebt andere ouders die excelleren in bewerkelijke activiteiten als knutselprojecten, verkleedpartijen compleet met gezichtsbeschildering of bak- en kookexperimenten in de keuken. Je hebt ook degenen die niet terugdeinzen voor de zandbak en zelf hun kinderen zwemmen leren. Die hoogtes in quality time zal ik nooit bereiken, maar daar staat tegenover dat ik zelden te beroerd ben voor een spelletje kwartetten. Hiermee treed ik in de voetsporen van mijn vader, want ik kan me niet herinneren dat hij ooit nee zei tegen een spelletje mens-erger-je-niet of ganzebord of memory.

Wat moet die arme man zich achteraf gezien verveeld hebben. Alleen dankzij de scherpe herinnering aan mijn kinderlijk fanatisme en aan de zwoesj van adrenaline die me beving bij het gooien van de dobbelstenen, kan ik het opbrengen om nu die spelletjes weer te spelen. En meestal richt mijn inzet zich juist op verliezen om mijn zoontje tegemoet te komen, die zoals het een zesjarige betaamt slecht tegen zijn verlies kan. Dit is nog een hele kunst, want terwijl een groot deel van de tijd heengaat met aanmaningen als 'we spelen volgens de regels, hoor', 'als je gaat schreeuwen, houden we ermee op', 'nee, je hebt een drie gegooid, je mag niet overnieuw', zit ik zelf te foezelen en te steken dat het een aard heeft. Ik vraag naar kwartetten die ik zelf in mijn hand heb. Ik houd azen onder tafel om ze op een strategisch moment te kunnen lozen. Ik zie opzettelijk mogelijkheden over het hoofd om mijn tegenstander van het bord te vegen. Maar ook hiervoor geldt dat dosering geboden is. De kinderen moeten niet de hele tijd winnen, dat is opvoedkundig geen goed idee.

Vergeleken met dertig jaar geleden is er trouwens wel wat veranderd in de spelletjeswereld. Veel zijn naar een jongere leeftijd afgezakt. Toen ik mens-erger-je-niet speelde, was ik acht, maar voor tegenwoordige achtjarigen is dat niet echt interessant meer, zeker niet vergeleken met al die ingewikkelde videospelletjes. Het is meer iets voor zesjarigen, maar voor hen duurt het te lang – je bent al snel drie kwartier bezig. Ganzebord is dan een betere optie. Maar dat heeft weer van die rare regels. Er moet bijvoorbeeld met fiches gewerkt worden, maar die zijn totaal irrelevant voor het spelverloop. Ook bestaat er 'de gevangenis' en 'de put', vakjes waar je alleen maar van weg kunt komen, als een andere speler je bevrijd heeft, die dan op zijn beurt in de put moet blijven zitten. Die regels hadden misschien zin in de 19de eeuw, toen een gezelschap van zes man sterk zo de lange winteravonden doorkwam. Maar als je het met z'n drieën speelt (onder wie twee kinderen van zes en vier) slaat het nergens op om voor onbepaalde tijd in de gevangenis te zitten en niet mee te mogen doen.

Voor al dat soort bordspelen moet ik de regels veranderen om er een beetje elan in te brengen. Onbepaald putverblijf wordt drie beurten overslaan. Het exact aantal ogen gooien om de eindbestemming te bereiken verander ik in 'wie het eerste aankomt, heeft gewonnen'. Sowieso voeg ik aan elk spel dat met éen dobbelsteen gespeeld wordt een tweede toe. Zo krijgt alles meer vaart en houden we de speelduur onder de dertig minuten. De moderne varianten op ganzebord hebben in het algemeen niet die traagheid van de oervorm, maar lijden vaak aan onlogische regels: het inzetten van nutteloze jokers, het opwerpen van zinloze barricades, de verplichting tot lood-om-oud-ijzer keuzes. Ook al volgen de spelers het grillige pad van de dobbelsteen, een goed bordspel moet zijn als een gesloten universum met dwingende wetmatigheden, niet een bij elkaar geraapt zootje regels die telkens weer nageslagen moeten worden.

Mijn eisen zijn te hoog: ik zoek een spel dat ik met een zesjarige kan spelen en dat ik zelf ook leuk vind. Ik herinner me mijn verslaving aan monopoly. Op mijn elfde speelde ik dit een hele zomer lang, elke dag twee, soms wel drie keer. Maar voor de finesses van het kapitalisme is hij toch nog een jaar of twee te jong. Dammen dan. Misschien is het tijd voor de overstap van kans- naar denkspelletjes. Helaas spelen ze in Amerika dam op het schaakbord, met twee keer twaalf schijven, die tot overmaat van ramp rood en zwart van kleur zijn. Een ordinair aftreksel van de edele damsport.

Dit is zo mogelijk nog irritanter dan de krakkemikkige spelregels, die ik tenslotte naar eigen inzicht min of meer kan rechtbreien of buiten beschouwing laten. De uitvoering van de bordspelen (althans die in Amerika) is om te huilen zo lelijk en goedkoop. Meestal zijn de pionnen vervangen door stukjes karton die aan een kant bedrukt zijn met een figuurtje: dieren of politiek correcte menselijke gestaltes of zomaar wat symbolen. Deze figuurtjes moeten in plastic houdertjes geschoven worden en dienen dan als pion. Het probleem is niet alleen dat dit een wrakke constructie is (de stukjes karton raken verfomfaaid in het gebruik en vallen uit hun houdertjes) en dat de achterkant niet bedrukt is, zodat de helft van de spelers tegen blinde achterkanten zit aan te kijken, het is ook veel moeilijker te onthouden waar je eigenlijk mee speelt. In een klassiek bordspel speel je met een kleur (een elegant ontworpen stevig pionnetje), maar bij deze nieuwe spelen, moet je voortdurend denken: wat was ook alweer van mij? Het zwarte jongetje of het indianenmeisje? Speel ik met de panter of de anaconda?

De borden zelf zijn van zulk dun karton gemaakt dat ze vaak al krom getrokken zijn, als ze voor het eerst uit de doos komen. De dobbelstenen hebben geen afgeronde hoeken, zodat ze nauwelijks rollen, maar als een stuk drop op tafel doodvallen. De plastic damschijven zijn zo licht dat ze bij het geringste stootje tegen het bord van hun plaats schuiven. De afbeeldingen op de memory-kaartjes zijn zo godsgruwelijk lelijk dat ik liever niet onthoud waar ze liggen.

Zelfs op de speelkaarten is bezuinigd. Het symbool dat de waarde aangeeft wordt alleen in de linkerboven- en rechterbenedenhoek afgebeeld, en niet, zoals gebruikelijk, in alle vier de hoeken. Voor linkshandigen moet dit een crime zijn.

De meeste spelletjes zitten inhoudelijk niet zo sterk in elkaar en zijn bovendien een esthetische kwelling. Toch ga ik door met spelen. Voor het plezier van de kinderen natuurlijk, maar ook uit eigenbelang voor de lange-termijninvestering. Als het een beetje meezit, kunnen we over tien jaar bridgen.

Artikelen in NRC-column.


0 reacties

Blijf op de hoogte, abonneer je op de RSS feed voor reacties op dit artikel.



Sommige HTML is toegestaan