Spring naar inhoud


Skinner’s box

Lauren Slater: Opening Skinner’s Box. Great Psychological Experiments of the Twentieth Century. W.W. Norton & Co. Importeur… 276 blz. $ 24.95

De sociale psychologie bestudeert de invloed van de omgeving op het gedrag van individuen. Niet het gedrag van één individu (dat is het terrein van therapeuten, romanschrijvers of biografen) maar van individuen in het algemeen. In dit streven naar generalisatie vlijt de sociale psychologie zich van alle – softe – gammawetenschappen het dichtst tegen de exacte natuurwetenschap aan. Het constateren van wetmatigheden betekent immers dat aan de inputzijde gesleuteld kan worden om ander, aangenamer, gedrag tot stand te brengen

Objectief, kwantitatief en reductionistisch, dat zijn de eigenschappen van de experimentele sociale psychologie. Het aardige van dit specialisme is desondanks dat de vragen die gesteld worden groter en veelzeggender zijn dan wat er gewoonlijk in de metende psychologie wordt onderzocht. Op microniveau houden psychofysiologen zich bijvoorbeeld bezig met reactietijden of met drempels in de waarneming (allemaal in modellen onder te brengen en exact uit te rekenen), maar dat is toch iets anders dan de vraag ‘Hoe ver gaan mensen in het uitvoeren van onethische opdrachten?’ of ‘Bestaat verdringing eigenlijk wel?’ of ‘Wat zijn de componenten van moederliefde?’ In de sociale psychologie gaat men met Promethische vermetelheid en met het optimisme van de wetenschap problemen te lijf, waar filosofen en schrijvers zich al eeuwen lang over buigen. Het is niet verwonderlijk dat deze richting in de psychologie juist tot bloei kwam in Amerika, waar ondernemingslust en empirie op al het denkbare wordt toegepast, dus ook op wezensvragen.

Lauren Slater (opgeleid als psycholoog, later journalist en schrijfster geworden) is een liefhebber van de experimentele sociale psychologie. Voor haar boek Opening Skinner’s Box verdiepte zij zich in tien beroemde experimenten uit de tweede helft van de 20ste eeuw. Ze beschrijft de wetenschappelijke en maatschappelijke discussie, waar de onderzoekingen toe leidden. Ze spreekt met de onderzoekers zelf, indien nog in leven, en met hun collega’s of familieleden om tot een biografische schets te komen. Ze spoort proefpersonen op die over hun ervaringen vertellen. En ze werpt zichzelf in de strijd door zelf als proefpersoon op te treden, onder andere in een eenpersoons-herhaling van het ‘pseudo-gekken’-experiment van David Rosenhan. Dit speelde zich oorspronkelijk af in de jaren zeventig, toen sommige dienstplichtigen met succes psychiatrische stoornissen simuleerden om onder Vietnam uit te komen. Het deed Rosenhan twijfelen aan de validiteit van de psychiatrische diagnose in het algemeen. Met tien vrienden/collega’s werd afgesproken om zich bij tien over het land verspreide psychiatrische inrichtingen aan te melden met als enige (op psychose wijzende) klacht dat men een stem hoorde die ‘Thud’ zei (een cartoonkreet). Iedereen werd opgenomen, op zaal gezet en gedurende enige weken als patiënt behandeld met pillen, die niet werden ingenomen, en therapieën. Het idee van Rosenhan was dat, als het label ‘psychiatrisch’ eenmaal is gegeven, ook normaal gedrag als zodanig wordt geïnterpreteerd. En dat was ook zo, want patiënten die zeggen: ‘Met mij is niets aan de hand, ik wil eruit,’ worden juist extra als patiënt beschouwd, zoals wij ons herinneren uit One Flew over the Cuckoo’s Nest. Slater meldde zich dertig jaar met precies precies dezelfde naar psychose hintende klacht bij tien verschillende psychiatrische-crisis-opvang-posten en werd vanzelfsprekend níet opgenomen. Dat gebeurt alleen nog in uitzonderlijke gevallen, wanneer de persoon een direct gevaar voor zichzelf of zijn omgeving vormt. Wel verzamelde Slater, die wisselend gediagnosticeerd werd met angststoornissen of mogelijke psychose of psychotische depressie, recepten voor in totaal 250 stuks antipsychotische middelen (Risperdal) en verschillende soorten antidepressiva.

De vraag is wat hier precies mee wordt bewezen. Misschien niet meer dan dat welwillende, goedbedoelende psychiaters niet tegen bedrog zijn opgewassen. Alle beroemde sociaal-psychologische experimenten werken met bedrog. Behalve die ene van Festinger waarin hij meeliep met een sekte die het einde van de wereld voorspelde, terwijl de gelovigen zelf verwachtten door aliens in ruimteschepen te zullen worden gered (When Prophecy Fails, 1956). Toen de gemarkeerde datum passeerde zonder dat er iets bijzonders was gebeurd, was dit voor de sekteleden geen aanleiding hun geloof te laten vallen, maar zich er juist des te sterker aan vast te klampen (door hun gebeden en hun juiste morele instelling hadden zij de wereld gered). Op dit ‘natuurlijke experiment’, iets waar geen manipulatie van de onderzoeker aan te pas komt, baseerde Festinger zijn theorie van de cognitieve dissonantie, die hij later bijsleep en verfijnde in tal van experimenten, waarvoor hij vanzelfsprekend níet zonder bedrog kon.

Bedrog is het fundament onder de experimentele sociale psychologie. Dat maakt het tot een theatrale bezigheid, waarin emoties van proefpersonen hoog kunnen oplopen. Stanley Milgrams gehoorzaamheidsexperiment (waarin proefpersonen in de waan verkeerden aan een onderzoek naar ‘leerprocessen’ mee te doen, en daartoe een andere pseudo-proefpersoon steeds zwaardere schokken moesten toedienen, tot op het punt dat er geen respons meer kwam) is tot op de dag van vandaag een aansprekend voorbeeld. De resultaten waren verbluffend consistent over bevolkingsgroepen en zelfs landen: ongeveer 65 procent gaat, ondanks grote innerlijke ontreddering, op aandrang van de proefleider door met schokken uitdelen – ongeveer 35 procent weigert dit op een zeker moment.

Dit experiment, waarvan de resultaten makkelijk in verband met Auschwitz kunnen worden gebracht – wat dan ook gebeurde – werd zwaar bekritiseerd. Milgram werd wegens onethische behandeling van zijn proefpersonen uit de APA (American Psychological Association) geweerd en kon door zijn controversialiteit aan geen universiteit een vast dienstverband vinden. Ondanks de kracht van zijn eigen uitgangspunt (‘Het is de situatie die mensen tot een bepaald gedrag brengt’) is Milgram overigens nog lang bezig geweest om door middel van vragenlijsten over persoonlijkheidstrekken bepaalde eigenschappen boven tafel te krijgen die gehoorzaamheid aan of verzet tegen autoriteiten voorspellen, maar het lukte hem niet. Slater sprak met twee proefpersonen uit de jaren zestig. De destijds dociele schokker zei dat het experiment een belangrijke invloed op zijn leven had gehad. Hij had daarna besloten als homoseksueel uit de kast te komen en een loopbaanwisseling te maken van opleiding tot arts naar onderwijs aan ‘inner city kids’. De ongehoorzame proefpersoon, die een gezagsgetrouwe carrière in dienst van multinational Exxon achter de rug had (en afgaf op treehuggers), antwoordde op Slaters vraag waarom hij geweigerd had om door te gaan met schokkken, dat hij ‘bang was geweest door de stress een hartaanval te krijgen’ (hijzelf, niet zijn vermeende slachtoffer!)

Mensen in verwarring brengen door ze in een bepaalde richting te manipuleren heeft ethische bezwaren. Darley en Latané hadden hele stoeten van stooges (medeplichtigen) nodig die om de echte proefpersonen heen zaten te doen alsof er niets aan de hand was, terwijl er stinkende rook uit het airconditioning-systeem de kamer in werd geblazen. Ook reageerden de stooges niet op een andere toneelspeler die deed alsof hij (in een andere ruimte) een epileptische aanval kreeg. De echte proefpersonen (telkens maar eentje – het experiment moest tientallen keren achter elkaar gehouden, beter gezegd, opgevoerd worden – werden er bijzonder zenuwachtig van. Waren zij nou de enigen die dachten dat er ergens brand was of dat die epilepticus hulp nodig had? Maar in actie komen deden zij niet, althans de meesten niet, want tussen aandrang en gedrag stond de onverstoorbare niets-aan-de-hand-houding van de andere zogenaamde proefpersonen. En ook de begrijpelijke verwatering van individuele verantwoordelijkheid die komt, wanneer er meer mensen getuige zijn van iets wat niet in de haak is. Als je alleen bent, grijp je in; hoe meer toeschouwers, hoe kleiner de kans op actie.

Veel beroemde sociaal-psychologische experimenten van vroeger zouden nu nooit meer door de ethische commissies heen komen, moppert Elizabeth Loftus, die zelf de grootste moeite had om haar eigen experimenten naar het inplanten van valse herinneringen goedgekeurd te krijgen. Loftus voert oorlog tegen de hervonden-incestherinneringen-beweging, omdat ze niet gelooft dat werkelijke trauma’s (holocaust, verkrachtingen, martelingen) verdrongen kunnen worden. Ten slotte kon ze een traumatisch scenario verzinnen (‘als kind voor enige tijd zoek geweest zijn in een winkelcentrum’) dat niet te ver ging om op proefpersonen los te laten. Een kwart van de proefpersonen liet zich in een ingenieuze opzet, die natuurlijk weer bol stond van het bedrog onder andere doordat familieleden werden ingeschakeld, deze valse herinnering aanpraten en meende enige tijd later werkelijk dat hij of zij als kind verloren was geweest. Missie geslaagd. Loftus heeft aangetoond dat je mensen een incestverleden kunt aanpraten.

De experimentele sociale psychologie hoort meer bij de 20ste dan bij de 21ste eeuw. Het recentste waar Slater op ingaat is het werk van Eric Kandel, die onderzoek heeft gedaan naar geheugenverbetering en geheugenwissing bij aplysia-slakken. Dit is meer moleculaire biologie dan psychologie en dat is ook precies de tendens voor het geheugenonderzoek bij mensen. De farmaceutische industrie investeert op het ogenblik miljoenen dollars in de ontwikkeling van cognitive enhancement-pillen, die in de toekomst aangewend kunnen worden om Alzheimer op afstand te houden, dan wel iemands normale geheugenpotentie op te voeren. De geheugen-wis-pil zou dienst kunnen doen bij slachtoffers van trauma’s, zoals ongelukken of rampen. Wat heeft de sociale psychologie met haar traditionele nadruk op de invloed van de omgeving hier nog aan bij te dragen?

Niet zo veel, valt te vrezen. Slater geeft het voorbeeld van Bruce Alexander, een ijveraar voor drugslegalisatie, die een megalomane poging ondernam om te bewijzen dat heroïne níet verslavend was – terwijl in eerder onderzoek onomstotelijk was vastgesteld dat in krappe kooien opgesloten ratten het eten lieten staan en net zolang aan heroïneflesjes zogen tot ze verhongerden. Hij bouwde een gigantisch rattenpark vol speelgoed, genoeg eten en drinken, en nieuwsgierigheid opwekkende stimuli. De daarin ronddartelende ratten lieten de heroïneflesjes links liggen en dronken liever koel, helder water. Zelfs wanneer ze eerst door de onderzoeker verslaafd waren gemaakt, kickten ze snel af en gaven de voorkeur aan rat-geëigende consumpties. Zie je wel, triomfeerde Alexander, het is de omgeving die ratten (en per implicatie mensen) aan de drugs brengt. Er zit niets inherent verslavends in de middelen. Ja, kun je terugsneren, een rattenparadijs kun je bouwen, maar voor mensen zal dat niet lukken. In de hemel is geen bier, omdat er daar geen behoefte aan is.

De van Skinner afkomstige interesse in de omgeving, met het bijbehorende optimisme om die te veranderen en zo het menselijk geluk te verhogen, is een beetje voorbij. Daarvoor in de plaats is de genetica gekomen. De obsessie van de sociale psychologie met conformisme, autoriteiten, onvrijheid en groepsdruk, typisch jaren-zestig kwesties om je over op te winden, lijkt minder actueel, sinds autoriteiten veel van hun status verloren hebben en iedereen zich vrijer gedraagt dan ooit tevoren, niet alleen oppassende burgers, maar ook criminele elementen. Het is de vraag of een wetenschapper in een universitair gebouw nu nog steeds zoveel gehoorzaamheid bij proefpersonen zou opwekken als 35 jaar geleden. Je verwacht eerder dat proefpersonen ‘Ja, dáág, doe het zelf,’ roepen, als ze worden gemaand het voltage op te voeren, behalve misschien als Boris of Maud (van Idols) als proefleider zouden optreden. De statusdimensies zijn veranderd en de wetenschappers zijn erbij ingeschoten.

De sociale psychologie heeft geen onveranderlijke wetmatigheden opgeleverd à la de natuurwetenschappen. Maar het is wel mooi dat het werd geprobeerd. Opening Skinner’s Box is een beetje springerig boek. Het zwenkt van historische studie, naar fictionele inleving, naar filosofisch commentaar, naar autobiografische belevenissen, naar journalistieke beschrijving. Die mengeling van genres met fictionalisering heeft Slater kritiek opgeleverd. Zo hechtte ontwikkelingspsycholoog Jerome Kagan eraan in The New York Times te vermelden dat hij níet tijdens zijn interview met Slater ‘onder zijn bureau was gaan zitten om te bewijzen dat de vrije wil (in tegenstelling tot Skinners aanname) wel degelijk bestaat.’ Slaters beschrijvingen van diverse experimenten, in de tegenwoordige tijd alsof ze ze ter plekke meemaakt, grijpen de lezer weliswaar naar de keel, maar wekken ook enig wantrouwen. Ze wás er toch niet bij?

Toch is dit boek een monument voor het ingenieuze experiment waarin bedrog als een hefboom fungeerde om minder fraaie menselijke gedragingen in het echt te zien gebeuren. Daarnaast was het experiment ook een soort theatervoorstelling, waarin de proefleiders die het verzonnen en regisseerden bijzonder veel plezier moeten hebben gehad. Boeiend vak, de sociale psychologie.

Beatrijs Ritsema

Artikelen in NRC-boekrecensies.


0 reacties

Blijf op de hoogte, abonneer je op de RSS feed voor reacties op dit artikel.



Sommige HTML is toegestaan