Spring naar inhoud


Wat de grootouders zaaien oogsten de kleinkinderen

Klimaatbekommernis brengt mij tot zelfonderzoek. Voor wat of wie ben ik bereid een offer te brengen? Onder offer versta ik een vrijwillige actie, die mij persoonlijk benadeelt, maar waar anderen baat bij ondervinden. Abstracties in de trant van ‘God, vaderland, vrijheid’ vallen meteen al af. Blijft over: andere mensen. Een google search in mijn herinneringen levert geen enkele hit op. Ja, ik ben vrijgevig op filantropisch gebied. Hele regimenten Afrikaanse kinderen hebben géén malaria op gelopen dankzij mijn schenkingen. Maar een offer kun je dat niet noemen, want ik heb er geen hap minder om gegeten en ik ben er ook niet goedkoper voor gaan wonen.

Ook voor mijn naasten ben ik zeker bereid tot hulpvaardigheid. Toen de kinderen klein waren, draaide het dagelijks leven om hun behoeften en moest ik afzien van allerlei aangename tijdpasseringen (tot diep in de nacht in het café hangen, urenlang ongestoord boeken lezen) die niet strookten met hun aanwezigheid. Maar het buigen voor kinderlijke behoeften met alle saaie zorgtaken die daar bij te pas komen valt niet onder het hoofdje opoffering, omdat ik mezelf met het alternatief (al die taken níet doen) pas echt in de vingers zou snijden. Als ik mijn kinderen zou benadelen, zou ik mezelf schaden – daar komt het eigenlijk op neer. Al het goede wat iemand ten bate van z’n kinderen doet is niet meer dan de vanzelfsprekende gang van zaken en kan dus nooit een offer zijn.

Kinderen onderscheiden zich van andere naasten, doordat de wet van de wederkerigheid een minder grote rol speelt. Bij vrienden, familieleden en partners loopt er altijd een teller mee die de mentale boekhouding in de gaten houdt. Is de relatie nog in evenwicht? Geeft de een meer dan de ander? Die balans kan heel lang uit het lood staan, maar op een gegeven moment moet een schuld vereffend worden, anders treedt er verzuring op. In geval van kinderen loopt die teller nauwelijks mee. De investeringen in kinderen zijn objectief gezien veel groter dan ouders ooit zullen terugkrijgen. Een jaar of twintig alles betalen, eten op tafel zetten, rotzooi opruimen, hobby’s opzij zetten, kindvriendelijk vakantie houden, maar ouders verwachten die intensieve inspanning niet terug. Ze kunnen rekenen op emotionele betrokkenheid en praktische ondersteuning in voorkomende gevallen, en als de ouder-kind-verhouding in de loop der jaren geen serieuze averij heeft opgelopen, zal die loyaliteit zeker optreden, maar er heerst geen verwachting (ook geen impliciete) dat een kind zijn leven ingrijpend omgooit, bijvoorbeeld door ontslag te nemen of de eigen ambities te schrappen, om voor oude ouders te zorgen.

Kinderen incasseren altijd meer dan ze hoeven terug te betalen.

Sommige kinderen brengen wel degelijk grote offers voor zorgbehoevende ouders, maar de standaard is het niet. Kinderen doen het zelden en, minstens zo belangrijk: ouders willen het meestal niet eens. Tot hun laatste snik houden ze vast aan wat hun leven lang de onderstroom is geweest: we willen wat het beste voor de kinderen is.

Van buiten af gezien incasseren kinderen altijd meer dan ze hoeven terug te betalen, wat natuurlijk goed uitkomt, want tegen de tijd dat ze er aan toe zouden zijn om de imaginaire openstaande rekening met hun ouders te vereffenen, hebben ze zelf kinderen om, nou ja, niet zich voor op te offeren, maar wel heel zwaar in te investeren. Het soort gedrag dat, wanneer je het voor willekeurig wie zou doen voor onversneden altruïsme zou doorgaan, maar dat voor je eigen kinderen alleen maar vanzelfsprekend is. De schuld van iemand ten opzichte van de vorige generatie wordt ingelost door onbaatzuchtigheid aan de dag te leggen voor de volgende generatie. Wat de grootouders hebben gezaaid oogsten de kleinkinderen. Het is de langste termijn van wederkerigheid die ik ken.

Een mens doet onbaatzuchtige dingen voor z’n kinderen en bevordert daarmee indirect het belang van eventuele kleinkinderen, maar daarmee houdt het op. Wat daarna komt is niet meer relevant. Ik ben bereid om levende mensen die in nood zitten te helpen, niet alleen omdat dat het goede is om te doen, maar ook omdat ik verwacht om zelf in geval van nood geholpen te worden. Het verraderlijke van altruïsme met het doel een leefbare aarde voor het nageslacht zit in het gebrek aan wederkerigheid: ‘Wat hebben toekomstige generaties ooit voor ons gedaan dat wij nu moeten afzien van vliegreizen en de thermostaat moeten terugdraaien naar 18 graden?’ Offers voor de ongeborenen breng ik niet op.

Artikelen in Column.


Een reactie

Blijf op de hoogte, abonneer je op de RSS feed voor reacties op dit artikel.

  1. Floris schrijft

    Er is een verschil tussen wat offers moeten brengen om het ongeborenen wat makkelijker te maken en als generatie onherstelbare schade aan de aarde toe te brengen die onevenredige kosten meebrengen voor die ongeborenen.

    Werkelijke vrijheid houdt in de vrijheid van anderen, ook de ongeborenen, te waarborgen. Dat houdt in de kosten dragen voor de keuzes die men maakt en deze niet af te schuiven op toekomstige generaties. Dat doen is geen offer brengen maar juist de consequenties van je eigen keuzes dragen.

    U stelt zelf geen offers op te willen brengen maar dwingt die offers wel op aan die ongeborenen en dat is een grof schandaal. De kosten van ons energie en grondstoffengebruik zullen door iemand gedragen moeten worden. Het is niet meer dan terecht dat wij onze eigen kosten dragen. Dat een offer noemen is een totale miskenning van het probleem.



Sommige HTML is toegestaan