Beste Beatrijs,
Aan de universiteit waar ik studeer zitten vanzelfsprekend veel hoogleraren
in diverse beslis- en onderwijsorganen. Nu is het op onze faculteit de
gewoonte om tijdens de vergaderingen mensen met hun voornaam aan te spreken.
Dit houdt dus in dat professor X ‘Patrick’ genoemd moet worden en
professor Y ‘Jan’. Ik weet dat het onbeleefd is om mensen op een andere
manier aan te spreken dan zoals ze zelf willen, maar is het omgekeerde niet
even onbeleefd? Ik vind het als student vervelend om een hoogleraar aan te
spreken, alsof hij of zij een medestudent is. Ook docenten en
wetenschappelijk medewerkers spreek ik trouwens liever aan met ‘meneer of
mevrouw X’ dan met hun voornaam.
Volgens mij willen zij met hun voornaam worden aangesproken om een amicale
of joviale sfeer te creëren en ‘dichter bij de studenten te kunnen staan’,
terwijl in elk geval voor mij het gebruik van een aanspreektitel niets te
maken heeft met er ‘wel of niet bij horen’. Tegen iemand die ik ‘professor’
noem durf ik, als lid van de faculteitsraad, even direct en kritisch te zijn
als tegen wie dan ook.
Onder professoren
Beste Onder professoren,
U hebt gelijk. In formele situaties, zoals een faculteitsraadvergadering,
verdient het aanbeveling als de raadsleden elkaar formeel bejegenen. Dus
geen voornamen en niet tutoyeren. Misschien moet u een voorstel tot verbale
zakelijkheid indienen, waarover kan worden gestemd. Voor de rest (in de
wandelgangen, de kantine en in het kleinschalige onderwijs zoals de
werkgroep) bestaat op de universiteit een stevige, alweer meer dan dertig
jaar oude traditie van informele omgangsvormen. Docenten en studenten
tutoyeren elkaar routinematig. Naarmate het wetenschappelijk personeel
sterker vergrijst, iets wat nu aan de hand is, krijgen studenten meer moeite
om docenten met hun voornaam aan te spreken. Het zou op zichzelf mooi zijn
om de (wederzijdse) u-vorm weer in ere te herstellen in de omgang tussen
studenten en wetenschappelijk personeel. Al was het maar om de mogelijkheid
te scheppen van ‘u’ naar ‘jij’ over te stappen in daartoe
uitnodigende omstandigheden. De verhouding tussen professor en student wordt
toch altijd enigszins getint door persoonlijke elementen. Dat brengt het
geven van onderwijs met zich mee. Er zijn tal van situaties denkbaar
(intensief samenwerken om de wetenschap vooruit te helpen is daar één
van), waarin een professor op een geven moment tegen een student kan zeggen:
‘Laten we elkaar tutoyeren. Wil je mij voortaan Ferdinand noemen?’ In
een omgeving waarin iedereen van hoog tot laag elkaar gedachtenloos
tutoyeert en bij de voornaam aanspreekt, bestaat het genoegen niet om een
betekenisvolle overstap te maken van afstandelijk naar meer vertrouwd, van
hiërarchisch naar meer gelijkwaardig, van formeel naar informeel.
