Beste Beatrijs,
Al mijn hele leven heb ik de grootste moeite met het
herkennen van gezichten. Iedereen die op straat maar even mijn kant op kijkt, groet ik
voor de zekerheid. Op verjaardagen en recepties voer ik tastende gesprekken met mensen die
de indruk wekken precies te weten wie ik ben, terwijl ik geen flauw idee heb met wie ik
sta te praten. Zelfs als ik het uitleg, vatten mensen mijn onvermogen om hun gezicht te
plaatsen op als een belediging.
Hopeloos te Amsterdam
Er is een categorie mensen die als ze iemand opbellen altijd 'Hallo, met mij!' roepen en
dan hebben ze niet hun moeder of hun geliefde aan de lijn, maar gewoon een vriend of een
goede kennis. Ook onder collega's op het werk komt deze opdringerige gemeenzaamheid voor.
De 'met-mij'-zegger denkt dat hij zo'n prominente plek in het gedachtenleven van zijn
gesprekspartner inneemt dat introductie overbodig is. Hoewel de meeste mensen inderdaad
hun bekenden binnen een paar woorden kunnen identificeren, vindt niemand het prettig om
het telefonische equivalent van 'raad-eens-wie-ik-ben?' te spelen, waarbij het slachtoffer
van achteren beslopen wordt en onverhoeds andermans handen voor z'n ogen geslagen krijgt.
Zelfs het noemen van alleen een voornaam kan, als het gaat om iemand die je al een tijd
niet gesproken hebt, tot zo'n zwetend telefoongesprek leiden, waarin je vrolijk vertelt
hoe het tegenwoordig met je gaat en met de kinderen, terwijl je intussen koortsachtig
nadenkt: 'Peter, Peter, wie is in hemelsnaam Peter?' Totdat hij de verlossende cue geeft
en je erachter komt. Ach natuurlijk, Peter van Ida en van de fietsvakanties.
Van aangezicht tot aangezicht is het nog veel pijnlijker om in het ongewisse te verkeren.
Merkwaardig genoeg wordt het in het algemeen vergeeflijk gevonden om slecht in namen te
zijn - voor dit falen komen mensen ook ruimhartig uit -, terwijl het vergeten van
gezichten als teken van arrogantie wordt opgevat. Toch is een gezicht herkennen zonder op
de naam te kunnen komen niet beter dan alle namen (en waar ze voor staan) paraat in je
hoofd te hebben zonder de gezichten erbij. Of het gezicht nu wel of niet een bel doet
rinkelen maakt niet uit: de naam zal hoe dan ook genoemd moeten worden. Iemand die slecht
is in gezichten kan zich op een receptie makkelijk voordoen als iemand die slecht is in
namen. Hij hoeft alleen maar bij elke nieuwe conversatie verontschuldigend te mompelen dat
hij geen namen kan onthouden en onmiddellijk wordt hij uit de brand geholpen. Zodra de
naam genoemd is, weet hij of het gaat om iemand die hij kent of niet, dus daarna loopt het
gesprek op rolletjes.
Vinden mensen het erg om hun naam bij herhaalde ontmoetingen steeds weer te
moeten noemen? Ik denk het niet. Zeker niet als de gesprekspartner na het noemen van de
naam blijk geeft zich dingen te herinneren van eerdere ontmoetingen. Als iemand met een
rood-witte stok op een feestje binnenkomt, vind je het ook niet erg om je naam te noemen.
Het onthullen van de handicap, telkens weer, bij het begin van een gesprek, terloops,
zoals iemand waarschuwt voor het afstapje, verwijdert de angel uit het
niet-herkennen. Voor het gaan over straat en in menigtes kan een zonnebril soelaas bieden.
Onder bijna alle Nederlandse weersomstandigheden heeft het dragen van een zonnebril een
sterk Jules de Corte-effect. Niet gegroete kennissen zullen overlopen van begrip. Zeker
wanneer er een aangelijnde herdershond voorop loopt.
