Spring naar inhoud


Filantropisch doolhof

Wie rijk is, ervaart een morele plicht om geld aan goede doelen te geven. Voor mij ligt dat in ieder geval zo en ik ben niet de enige, want Nederland neemt in de rangorde van westerse landen een toppositie in op het gebied van goedgeefsheid. Bakken geld staan we af met ons allen, geheel los van de belastingen. Ben ik er trots op? Ach, net zo veel of net zo weinig als wanneer ik huishoudelijke klusjes heb opgeknapt of achterstallige correspondentie heb afgewerkt. Plichtsvervulling leidt hooguit tot een bliepje tevredenheid op het radarscherm van welbevinden.

Wél vind ik het leuk om die goede doelen te selecteren. Het geeft me een gevoel van macht: die club wel en die club niet. Wel mensenrechten, geen dierenrechten. Wel noodhulp, niet zomaar wat waterputten. Wel professionals, geen amateurs. Hoe langer ik met dit bijltje hak, hoe minder geïnteresseerd ik ben in de effecten van mijn giften. Ik heb in het verleden een opeenvolging van foster plan kinderen gehad van Indonesië tot Nicaragua, tot ik mijn bekomst kreeg van die vertaalde briefjes en fotootjes die me werden toegestuurd. Werd ik soms geacht terug te schrijven? Stuur die kinderen gewoon naar school en zorg voor leermiddelen. Ik hoef geen dankbare feedback en ook geen persoonlijke relatie, ik geloof het zo ook wel!

De trend in de goede-doelen-business is juist een aanzwengeling van persoonlijke betrokkenheid. Dit komt op twee manieren tot uiting: de vraagzijde doet een steeds sterker beroep op sentimentaliteit en onder de gevers heerst toenemende bezorgdheid over het strijkstokeffect. Fondsenwervers exploiteren het leed van slachtoffers en spelen in op gevoelens van medelijden. Terecht doen ze dat. Zieligheid is de kurk waarop de sector drijft. Zonder meelijwekkende begunstigden is er überhaupt geen reden om geld te geven.

Het hameren op zieligheid reduceert geven tot een arbitraire beslissing. Hoe kun je bepalen wie het ergste lijdt en dus prioriteit in schenkingen verdient? Vooral bij het onderwerp ziektes doet dit probleem zich voor. Op zeker moment ben ik opgehouden met het geven van geld aan welke ziekte dan ook. Kanker is erg. Kinderkanker nog erger, zeker wanneer kale kinderen vrolijk aan het spelen zijn. Maar hart- en vaatziektes (herseninfarcten!) zijn ook vreselijk, om van Alzheimer maar te zwijgen, en er zijn gruwelijke, slopende ziektes zoals Duchenne en ALS. Astma is trouwens ook geen lolletje, net zo min als reuma.

Die zieligheidswedstrijd valt niet te winnen, dus heb ik besloten dat het onderzoek naar akelige ziektes maar op conto van belastinggelden en de farmaceutische industrie moet gebeuren. Mondiaal gezien worden er trouwens genoeg inspanningen verricht en een doorbraak elders is in no time hier aangeland.

Wie zo min mogelijk strijkstok aan zijn schenkingen wil hebben, wende zich tot christelijke hulporganisaties, alwaar belangeloosheid en naastenliefde net iets meer vigeren dan in de seculiere clubs.

Het strijkstokeffect (dat aanzienlijke percentages van de verworven gelden niet ter bestemde plekke aankomt, maar gebruikt wordt voor organisatie, logistiek en salarissen van hulpverleners) interesseert me maar tot op zekere hoogte. De opwinding rond de niet-transparante declaraties van Alpe d’Huzes-organisator Coen van Veenendaal vond ik sterk overdreven. Die man moet toch ergens geld vandaan halen om zijn gezin te onderhouden? De onderzoekers die in laboratoria aan de slag gaan met de pink ribbon- en andere ingezamelde borstkankergelden krijgen ook een fatsoenlijk salaris uitbetaald. Alle belangrijke humanitaire hulporganisaties hebben mensen op de loonlijst staan, anders kan de hulp niet professioneel worden aangepakt. Wie zo min mogelijk strijkstok aan zijn schenkingen wil hebben, wende zich tot christelijke hulporganisaties, alwaar belangeloosheid en naastenliefde net iets meer vigeren dan in de seculiere clubs. Katholieke missiepaters en –nonnen leven bijvoorbeeld celibatair – dat scheelt al – en de hulpverlenende soldaten van het Leger des Heils staan bekend om hun soberheid van leven.

Het selecteren van organisaties die mijn giften waard zijn doe ik graag, niet alleen vanwege het machtsgevoel, maar ook omdat het me dwingt stil te staan bij wat ik belangrijk en minder belangrijk vind. De noden in de wereld zijn onstelpbaar, maar met een beetje nadenken kan ik best een prioriteitenvolgorde bepalen die bij mij past. Daarom heb ik een hekel aan collectanten die aanbellen en me overvallen met iets waar ik niet voor voel. Goede doelen kunnen niet zonder de inzet van sentiment. Maar die deur-tot-deur methode kost enorme inspanning en levert vergeleken met andere inzamelingscampagnes een schijntje op. Niet efficiënt, niet effectief en (sorry, vrijwilligers) buitengewoon irritant.

Artikelen in Column.


Een reactie

Blijf op de hoogte, abonneer je op de RSS feed voor reacties op dit artikel.

  1. MRe schrijft

    Al bij ‘geven om leven’ (1974) was er kritiek omdat er veel geld werd opgehaald terwijl het verschijnsel ‘kinderkanker’ statistisch gezien ontzettend weinig voorkwam in vergelijking met veel andere ziekten. Nu heb je KiKa, hetzelfde dus (en de medische wetenschap is in die 40 jaar flink vooruitgegaan). Een m.i. ‘makkelijk’ doel, schaamteloos geëxploiteerd. Zielige zieke kindertjes, wie kan daar nu tegen zijn?
    Er wordt wel voortuitgang geboekt bij onderzoek naar genezing van ziekten, ook met particulier gedoneerd geld, maar de prioriteiten liggen verkeerd.



Sommige HTML is toegestaan