Beste Beatrijs,
Onlangs deed ik mee aan een cursusweekend ‘boeddhistisch mediteren’.
In ons gezelschap van tien deelnemers bevond zich een Israëlische
jongeman, die hoewel hij al vier jaar in Nederland woonde, onze taal niet
machtig was. Bij de kennismaking verzocht hij daarom of we tijdens het
weekend Engels wilden spreken. Omdat hij het bescheiden vroeg en ik het
altijd wel leuk vind om een mondje buitenlands te praten, zag ik geen
bezwaren. Ook de anderen leken daar zo over te denken. Iedereen deed zo
goed en zo kwaad als het ging z’n best; de cursusleider incluis, die
hele boeddhistische teksten - af en toe met pijn en moeite - omzette in
het Engels. Maar het is al moeilijk om in je eigen taal over iets tamelijk
abstracts als meditatie te praten, laat staan in een vreemde taal, en dus
vielen sommigen van ons toch af en toe terug op het Nederlands, waarop ze
door de Israeliër of een solidaire medecursist werden teruggefloten.
Na afloop van het weekend maakte een groeiende ergernis zich van mij
meester. Bij nader inzien vond ik het raar dat we ons twee dagen lang
allemaal aan één persoon hadden moeten aanpassen. Bovendien hebben veel
mensen waarschijnlijk minder uit de cursus gehaald dan mogelijk was
geweest, omdat we onze eigen taal niet mochten gebruiken. Nu ja, niets
meer aan te doen. Maar graag toch uw mening: was het erg asociaal geweest
om zijn verzoek bij aanvang te weigeren? En hadden we in de loop van het
weekend kunnen terugkomen op onze coöperatieve houding? Zo ja, hoe doet
men dat op een tactvolle wijze?
Nog lang niet verlicht
Beste Nog lang niet verlicht,
Wat u hebt meegemaakt is in het geheel niet comme-il-faut. Het is zelfs
zo grondig mis, dat u zou kunnen overwegen uw geld terug te vragen. Dat
gaat u natuurlijk niet doen, ik weet het, u zult u bij deze spirituele
club niet willen voordoen als vertegenwoordiger van de claimcultuur, maar
een brief op poten schrijven kunt u wel. Wat is hier gebeurd? Iemand
vraagt of de gesprekken in het Engels kunnen en de rest van het gezelschap
wil de beroerdste niet zijn, geneert zich misschien ook om ervoor uit te
komen dat hij/zij zelf toch niet zo heel fantastisch Engels spreekt, en
hop, binnen tien seconden is afgesproken dat een heel weekend in het
Engels gaat! Dit is geen beslispunt dat door een groep die elkaar totaal
niet kent, zomaar erdoorheen kan worden gejast. De cursusleider had meteen
moeten ingrijpen en zeggen: ‘Sorry, dat kan helaas niet, we spreken hier
Nederlands met elkaar’ (om precies de door u in uw brief genoemde
redenen) ‘en als u het niet kunt volgen, kunt u beter niet meedoen. U
krijgt dan uw cursusgeld terug.’
Het is de taak van de cursusleider om ervoor te zorgen dat de
randvoorwaarden voor de groep om iets op te steken gehandhaafd blijven.
Dit is geen gezellig etentje, waar men de enig aanwezige buitenlander
terwille is door Engels te gaan haspelen, maar een onderwijssituatie,
waarvoor betaald is. U vraagt of u tussendoor weer terug had kunnen
switchen. Ja, dat had zeker gekund. Ook aspirant-boeddhisten zullen het
eens zijn met de stelregel ‘Beter ten halve gekeerd dan ten hele
gedwaald.’ Op zeker moment had u een vraag in de groep kunnen gooien:
‘Wie van jullie had niet ingetekend op dit weekend, als duidelijk was
geweest dat de voertaal Engels was?’ Als ook maar één persoon zijn
vinger had opgestoken, was dat voldoende geweest om terug te keren naar
het Nederlands.
